Tagarchief: Willem GIJSSELS

Het Zwaard Willem Gijssels

HET ZWAARD

(Naar Sully Prudhomme.) Willem Gijssels
Wat zijt ge, blinkend staal, dat lenig steekt en snijdt?
Drijft ge uwe scherpe snee den schoot der aarde binnen
Of klieft ge rotsen, helpt ge beemd en bos ontginnen
Zeg welke kunst gij dient, wat gesel gij bestrijdt?
Een alem? Neen, u vloekt de man van eer en vlijt :
Geen zweet bedroppelt u, gij helpt geen brood gewinnen
Alleen het roesten kan de mens in u beminnen.
Zeg, blad met bliksem-blauw en purper, wat ge zijt?
Ik ben het zwaard, de knokelbazen ten gerieven.
En, in der vorsten vuist, de priem die, naar believen
Van hunnen gril, den mens boetseert en onderlegt_
En maaien moet ik telken jaar de bloem der rassen,
Totdat het vlees zich eens zal kleden in kurassen
Veel sterker dan het staal, gemaakt met ’t heilig recht!

nieuwjaarskaart verstuurd 1919

Advertenties

RIDDER DOOD ZINGT Willem Gijssels

RIDDER DOOD ZINGT •
Gedicht van WILLEM GIJSSELS

Hoor hoe de moederaarde
met nimmer moede longen,
in goddelijke klanken,
herhaalt haar eeuwig lied;
het lied, dat onbegonnen,
dat nimmer uitgezongen,
de kindren van haar leven
de reinste vreugde biedt!

Het harpenspel der halmen,
door zoeten wind gedragen
het ruischen van de boornen
gelijk een zee die ziedt ;
het opengaan der kelken,
die naar de kussen vragen
der zonne die haar leven
in hu.nnen boezem giet…

Zij zingt in duizend tonen
van leven en genieten;
tot scheppen en volbrengen
schonk ze u in overmaat
Het ijzer om te ploegen,
en niet tot bloedvergieten,
hebt gij haar dwaas ontweldigd
ter koeling van uw haat

Gelijk een god geschapen,
die niets meer hoeft te worden,
daar u wat gode waard is
genaakbaar openstaat,
hebt gij het doel vergeten
dat voert tot hooger orden
en voedt, in plaats van liefde,
in ’t harte broederhaat!

Gepantserd als een krijger
om uwen wil te dienen.
sla ik u uit mijn harpe
van zwaarden bloedig rood:
sla ik u uit mijn harpe,
een bindsel van ‘lijnen,
een lied, tot welbehagen ,
van laffen heldendood.

Uw vloeken is de weerklank
van mijne scherpe snaren,
die zingen van de wonden
en ’t vleeschverslindend lood
Een joelfeest voor de wormen
hebt gij slechts kunnen baren,
O mens die mij ontsluiert
mijn lied van haat en dood!

Nieuwjaarskaartje verstuurd 1919

 

Omdat ic Vlaming ben Willem Gijssels

Omdat ic Vlaming ben

Willem Gijssels

Wie eere kent. omdat hij Vlaming is gebleven.
Ziet in ’t verleden niet de schoonheid van zijn leven
Omhoog ontwaaien als een schittrend stralenbeeld ?
En ziet de helden niet die uit den dood verrijzen
Om. door het floers der eeuwen. hem den weg te wijzen
Der toekomst waarop ’t licht der glorietijden speelt ?
O tijdperk vol van strijd die in den eeuwkrans perelt.
Gelijk een bloem ontplooien voor den gansen wereld.
Gij hebt den moeden mens ter moederbron geleid,
Die, met het licht der kennis mild den geest bevruchtend,
Hem bracht tot broederschap en schiep een nieuwen uchtend
Van ruimer denken en van hoger menschlijkheid.
Een edel hart uit reiner dichtersfeer gesproten.
Dat met zijn liefde heel het volk heeft overgoten,
Ging open voor dat volk gelijk een morgenstond;
Zijn haat voor logen hielp de waarheid naakt ontwolken
En vond voor ’t diepst gevoel de duidelijkste tolken,
Het Dietsch, opwellend van de ziele tot den mond.
Van Maerlant liet die bron van kennis opfonteinen
In klare volkse taal, in weerwil der Latijnen.
Anan walse en valse ridderfabelen verknecht
En troebadoers in ogendienst van hovelingen.
Hij dorst de waarheid hun door ’t heldenmasker slingen ;
hij was de krijgsheraut van ’t eerste mensenrecht.
En toen zijn woordenbliksems ’t masker gans ontrukten :
De mensen zijn gelijk, er zijn alleen verdrukten ! »
toen werd de doipre man bewust van zijne macht ;
Toen laaide voor het eerst het oproer tot ontslaving
en schoof het mensdom tot een mijlpaal van beschaving.
Die  nog te schittren staat in middeneeuwsen nacht.

Terwijl  Van Maerlants lied het dapper Vlaandren staalde,
En het Vlaanderen den leeuw» van mond tot mond herhaalde,
Glom over de Alpen plots een trotse dichtertoorts.
Was Dante die als sein gaf tot het fiere Vlaandren :
Laat wappren boven ’t Waalse juk de zegevaandren ! »
En hopend zag hij toe  doorbruist van zielekoorts.

Hij banneling versmaad en door zijn volk versmeten,
Die het vagevuur doorjoeg met jammerkreten,
Die prinsen van den staat en prinsen van de kerk
Kastijdend nedersloeg in sombre foltergangen,
Kwam onzen  Dietsen bard bewondren in zijn zangen
En Vlaandren in zijn volk, Van Maerlants wonderwerk.
Spuigt Capet over u zijn ridderlijk gebroedsel?
Geen nood, gij hebt uw volk gevoed met godenvoedsel
Het opent aan der volkren spits de gulden eeuw
Bij bronzen klokgelui uit eiken vrijheidstoren… »
En beide dichters zagen ’t veld der gulden sporen
En zegevierend klonk het : « Vlaanderen den leeuw’ ! »
t Was waar geworden. De arendsblik had raak gekeken.
Der Gallen golven moesten op de rotse breken
Van ’t stoere gildenheir ; en midden in den brand.
Gelijk een baak in zee, verrees ter roode kimme
Van Maerlants dichterbeeld in hemelhooge schimme
En Dante zag verrukt de leeuwevaan geplant.
’t Was waar geworden, toen de vrijheidszon doorboomde.
Wat eens de vader aller Dietse dichters droomde :
Klein Vlaandren viel den grooten muntenschrooder af.
Toen kwamen Breydel en de Coninck toegevlogen,
Het koene heldenpaar door dankbaarheid bewogen,
En kusten hunnen dichter op zijn stenen graf
Daar troonden uil en spiegel als twee zinnebeelden,
De wijsheid en de waarheid die gedachten teelden
En daden noch voor strijd, noch donkerheid bevreesd :
En voor hun oogen rees op ’t vlerkend tijdgewiegel
Voor alle tijden thans de Vlaamse Uilenspiegel,
Het levend Vlaamse hart en Vlaandrens vrije geest.
Toen eeuwen kwamen van verval na glorietijden,
Al poogden dichters nog te zingen ’t lied van strijden.
Het werd een klaaggezang, de zielgloed was verslenst
Het eerste vrijheidsvolk uit ’t heldenras geschapen
Werd ’t speeltuig in de handen van verfranselde apen ;
Het schone volk Ontvlaamst, vernederd en ontmenst.
En zou er dan geen morgen meer ter kim verrijzen -?
En zou de Vlaamse leeuw geen dwingers meer doen ijzen ?
Waar ww.; de geest, het hart van Uilenspiegel heen ?
« Omdat ik Vlaming ben ! » En van bezielde snaren
Kwam weer die geest, dit hart in laaien gloed gevaren
En om het Vlaming-zijn. werd moedig weer gestreèn !
Van Maerlant groet Conseience en Dante treedt ook nader,
En alle helden rond der Dietse dichtren vader,
’t Zal wel nog kunnen», spreekt de sombre Florentijn.
Conscience beroept zijn volk en wekt den Leeuw van Vlaandren!,
Die ’t juk verbreekt, en Vilenspiegel. door de spaandren,
Zingt ’t vrije leeuwrikslied in frissen morgenschijn!

postkaart verstuurd 1915

ALLEEN WILLEM GIJSSELS.

ALLEEN

WILLEM GIJSSELS.

In doffen schemer is de dag verscheiden.
Traag wikkelt de avond in een vlottend dons
De dromende aarde. Naar de verre weiden
Een vrouwken blikt en zegt een vaderons.

Langs tere zoenen van den avondzegen
Glijdt weemoed neer in ’t oude moederhert,
Dat zacht gedragen door de levenswegen
Het verst verleden langzaam naderterdt.

Daar voelt ze ’t klamme zweet weer, mild bevruchtend
Op ’t zwoegend lichaam en ze ziet den oogst
Want hobben tobben was ’t van in den uchtend
Tot ’s avonds laat, voor ’t welbeminde kroost.

Toen viel er niet te denken aan verpozen,
Zoonauw kreeg zij haar dagtaak afgedaan.
Ze ziet haar kindren van gezondheid blozen.
Dan. opgegroeid, ter grote stede gaan ..

Met de ijlte van den avond om zich henen.
Denkt ’t vrouwken na: « er kwam geen. einden aan
En ’t vindt nu tijd te veel om stil te wenen…

postkaart verstuurd 1913

De Helpers Willem Gijssels

De Helpers
Willem Gijssels

Wie riep u uit de diepten van het woud,
U wolven en u raven, onheilsboden ?
Gij helpers van den dood en zijn genoden
Ter tafel, die een rijken buit ontvouwt

Heeft hongersnood u tot den roof verstout ?
Geen nood, langs honderd rode wonden vloden
De koude zielen der gevelde doden.
Die tot festijn de dood u voorbehoudt.

Walkuren, schrikt u ’t bloedig schouwspel af.
Voert gij geen helden meer naar ’t weids Walhal ?
Wacharm ! Met ros en schild en gouden spere !…

De loden hemel blijft een welvend graf.
Waaruit noch loon noch liefde komen zal.
En de aarde klaagt een eindloos miserere.

nieuwjaarskaartje zonder datum, de nieuwjaarskaartjes en de gedichten hebben geen relatie met elkaar is gewoon leuk voor sommige mensen die niet van gedichten houden

Pax Willem Gijssel

Pax
(Muziek van J.-J. van Beers)
WILLEM GIJSSEL

Weest verblijd ! Hij is geboren,
Die het licht verspreiden zal !
’t Woord is weder vlees geworden !
Om door goddelijke wonden,
Ons te redden uit verval !
Hallelujah ! Alle monden
Loven hem met luid geschal I

Weest verblijd !. Zijn woorden breken
Allen dwang ,en boos geschil.
Vrede moet de wereld winnen 1
Waar, vereend in vreugd en smarten,
Mensen zijn van goeden wil !
Hallelujah ! Aller harten
Smelten saam in dankgetril !

Weest verblijd• ! ’t Is dag geworden.
Waar het kruishout zich verhief.
Stralen golven over de aarde !
Sedert op den berg Calvarie
Klonk der mensen eeuwge grief:
Eli Lánia ! Sabacthani!
Mensen hebt elkander lief !

ALLEEN Willem GIJSSELS

ALLEEN
Willem GIJSSELS
In doffen schemer Is de dag verscheiden,
Traag wikkelt de avond in een vlottend dons
De droomends aarde. Naas de verre weiden
Een vrouwken blikt en zegt een vaderons

Langs teere zoenen van den avondzegen
Glijdt weemoed neer in’t oude moederhert,
Dat zacht gedragen door de levenswegen
Het verst verleden langzaam naderterdt.

Daar voelt ze, ’t klamme zweet weer, mild bevruchtend
Op ’t zwoegend lichaam en ze ziet den oogst
Want hobben tobben was ’t van in den uchtend
tot ’s avonds laat, voor ’t welbeminde kroost,

Toen viel er niet te denken aan verpozen
Zoo nauw kreeg zij haar dagtaak afgedaan.
Ze ziet haar kindren ven gezondheid blozen,
Den. opgegroeid, ter grote stede gaan .

met de ijIte van den avond om zich henen,
Denkt ’t vrouwken na, a er kwam geen enden aan e
En ’t vindt nu tijd te veel om stil te weenen..
Willem GIJSSELS