Tagarchief: Willem GIJSSELS

Vlaamsch leven werd opgeheven nov 1918

Het was een cultureel weekblad met een activistisch karakter van 1915 tot 1918, onder redactie van Willem Gijssels. Heel veel van de toenmalige dichters, schrijvers en musici publiceerden in dit weekblad. Er werden ook artikels gepubliceerd over grote kunstenaars en schrijvers uit het verleden. Ook verscheen in elk nummer een artikel “Hoe staat het met den oorlog”.
De drie jaargangen en de laatste drie nummers die in de vierde jaargang verschenen werden samengebundeld tot 3 boeken. De binding was niet luxueus maar efficiënt want de tijdschriften zijn in goede staat gehouden. Op het einde van elke jaargang was er een inhoudsopgave voor het ganse jaar.

Volume 1: eerste jaargang, 52 nummers met in totaal 628 blz., 27x35cm.
De tape op de rugzijde van deze band vertoont scheuren en moet vernieuwd worden, maar de scheuren hebben geen impact gehad op de binding van de weekbladen die nog goed is

Volume 2: tweede jaargang, 52 nummers met in totaal 830 blz. Het formaat van het tijdschrift werd gewijzigd naar 25×31 cm.

Volume 3: derde jaargang, 52 nummers met in totaal 744 blz. en de drie nummers van de vierde jaargang (36 blz.) waarna het tijdschrift ophield te bestaan. 25×31 cm

Advertenties

VITTI Willem Gijssels

VITTI  (Calabria)

Willem Gijssels

Ik zag
In ’t woud een tijgerin, ’t duister om mij henen,
Om mij henen, —
Zij hoort mij akelig wenen, akelig wenen,
En voelt er zich ontkracht bij.

Ik zag
Het water na op harde marmerstenen,
Marmerstenen;
En drop na droppel wenen, droppel wenen.
Ze werden week en zacht zij!

 

Ik zag
U dan, mijn gans alleen zoete klene.
Zoete klene ;
Gij lacht om al mijn wenen, al mijn wenen
Als ’t leed versmacht mij, lacht gij !

Nieuwjaarskaartje verstuurd 1912

Die avond en die rozen. Willem Gijssels

Die avond en die rozen

Willem Gijssels
Dien avond zocht ik naar een lied,
Om mij wat te verkloeken.
Als ’t niet vanzelf de bron ontvliet.
Waarom er achter zoeken?…

Een moede roos ontviel de brank,
Zoals een zucht mijn hert ;
Och, dreef mijn leed van overlang
Er mee ter verste verte!

Die avond zocht ik naar een lied.
Om mij wat te verpozen ;
Ik bleef alleen met mijn verdriet
Bij ’t vallen van de rozen.
Die avond kwam allengerhand
De rust mijn ziel werven ;
En ginder aan de westerkant
Zag ik de rozen sterven!

Kaartje verstuurd 1912 frgr5 afm139

IK ZAL HET HOREN Willem Gijssels

IK ZAL HET HOREN

Willem Gijssels
Hoe luisteren mijne zinnen
Naar ’t kloppen van mijn hart ;
Wanneer ik droom van minnen
Dan denk ik ook aan smart,
Wanneer ik spreek Van leven,
Verschijnt vóór mij de dood.
Ach maakt mijn grote liefde
Mijn angst dan eeuwig groot ?

Ik weet mijn tijd zal komen,
Hij komt zo ijlings af
Dan lig ik zacht te dromen
Te dromen in het graf
En gij, geliefde, nadert
Gij strooit er bloemen rond,
En ik vind het minder treurig
Daar in de kille grond.
En zegt ge, ik droom verloren,

Een bede nog zo stil.
Zoet lief, ik zal het horen
Met dankend hartgetril.
O, Droom, wil onze liefde
Mij u voor eeuwig, gaf,
Gij troost mij in het leven,
Gij wekt mij in het graf.

Nieuwjaarskaartje verstuurd 1912 frgr5 2669

AAN ZEE Willem Gijssels

AAN ZEE

Willem Gijssels

O zee, waarin elk menselijk brein
Zijn dromen heeft gestort,
O levenszee, die nimmer klein
Doch immer groter wordt.
Hoe zwelt UW water rondom mij,
Hoe stijgt uw golfgeklots,
Hoe knaagt gij aan mijn heerschappij,
Hoe beukt gij op mijn trots.

Gij woelt om mij zo ongestuim,
Door overmacht verwoed,
Dat ik, weldra een vlok schuim.
Te niet ga in uw vloed;
Dat mijn ziel, gelijk uw zout
Vervloeiend, zich verspreidt
Onmetelijk vermenigvoud
In uwe oneindigheid

Daar ik mij op uw golfgedein
O zee, bewegen moet,
O was mijn arme ziel rein ;
In uw wijden vloed.
O spoel ze weg en weder tot
Ze gans gelouterd zij
En varen kan tot haar God
Van het stof der aarde vrij.

Duits nieuwjaarskaartje uit 1912  (1912 frgr2m5 duits)

DE ZEE Willem Gijssels

DE ZEE

Willem Gijssels

Nu jaagt de stille lucht
Een wild genucht in mijn
Genietend bloed.
Mijn ogen meegevoerd
op mijn gedachtestroom
Gaan eindeloos ver.
Stil pleint ten verre zoom
De parelmoeren zee,
Rolt aan en deint
En schuift op ’t gouden zand
Een kant van ziedend schuim.
De speelse wind,
Op elke golventop,
Steekt zijne horen op
En leidt den dans.
Hoog uit het koepelend blauw
Des hemels giet de zon
Haar wijden glans.
Ik, van op ’t duin, geniet
Gelukkig dat ik mens
En levend ben
En dat ik, nietig, toch
Het algenot als van
Een god beken.

Nieuwjaarsgedicht verstuurd rond 1911 frro10 allys 622

DE STORTVLAAG Willem Gijssels

DE STORTVLAAG

Willem Gijssels

De zon zal geen lid vandaag
Voor haar taak. verroeren,
en wringend door de wolkenlaag ,
Haar vlammend wapen voeren.
Zij vreest de ongelijke kamp
En houdt zich zich weggestoken;
Wijl plots uit zware neveldamp
Miljoenen pijlen breken,
De regen braakt miljoenen en
Herhaalt miljoenen schoten.
Het raast en rolt in wilden ren
Langs geulen en door goten.
De huizen en de daken staan,
De torens en de tinnen,
Door ’t zijpelend nat als afgegaan.
De mensen zitten binnen…

 
Daar hotselt op de stenen straat
Een wagen dik bemodderd,
En nevens bars de voerman gaat
En door de plassen ploedert.
Onachtzaam trekt het dampend paard,
Den kop te neer geslagen,
Met tragen tred, alsof ’t hem deert,
De vracht van zijnen wagen.

 
De vracht ? Weleens zijn trouwe maat.
Het ros daar nu versteven.
Dat zijn vier stramme poten laat
Van onder ’t dekzeil beven

 

Voorzichtig trapt de klepper voort
En laat zijn klokje ringen,
Gelijk een laatste liefdewoord
Dat wil den lijkdienst zingen.

 
En ’t roert, al is ’t geen mensenfeit 1
Maar in de denkende ogen
Van dieren ligt een eeuwigheid
Van droefenis bewogen.

 

Heel lijdzaam rolt het raar gespan,
Als in een wolk bewegend :
Een denkend paard, een barse man.
Een lijkkoets, en… het regent

nieuwjaarskaartje verstuurd 1911