Tagarchief: R Schrijvers

VOOR ‘T LIEVENHEERKE. R. SCHRIJVERS.

VOOR ‘T LIEVENHEERKE.
R. SCHRIJVERS.

Mijn Velm Mariabeelden, Christusbeelden
Hier van hout en daar van steen;
Gekapeld; in nisjes, op palen, ter hage
telkens, aan elke kluisstraat een.
En nimmer ben ik, knaap nog, koeien drijvend,
Bezwaard of licht naar ’t spel gespoed
Zo ’n beeld voorbijgegaan, gelopen,
Zonder even toch een groet.
Maar, zie ! ’t Lievenheerke dat het beeld der beelden :
Dien christus, enkle passen van thuis
In ’t geluw van twee verbroederde boomen„
Die armen, dat harte wijd open aan ’t kruis.
Lievenheerkesboomen, vereenzaamd, eenzelvig geboomte.,
Waarvan ik tot Leuven de eenzelvigheid zie,
Lievenheerke, ik wandelde opzettelijk heden
Om u hier te huldigen, thans op mijn knie.
Lievenheerke,
Die mij ’t leven gaaft en laat
En me afnaamt heel wat kwaad,
Wees gegroet !
Die me doorbrave ouders gaaft
En me immer vorstelijk voedt en laait,
Wees gegroet !
Lievenheerke,
Die me zien laat, horen, gaan
En recht op beide benen staan,
Wees gegroet!
Die me tal van vrienden schonkt
En allen vast aan ’t hart me klonkt,
Wees gegroet !
Lievenheerke,
Die me spreken, schrijven liet
En dichterdeuren openstiet,
Wees gegroet !
Die mijn voeten hebt geleid
Naar hoogte en verte niet verbeid,
Wees gegroet !
Lievenheerke,
Die in ’t duister telken stond
Een lichtende engel mijwaarts zondt,
Wees gegroet !
En zegen de mijnen, daarginds aan de beek,
Zegen mijn vrienden, de menschen van Velm„
Mij, uw rampzaligen dienaar, van streek
Mensontvluchtend vaak net als een schelm.
Lievenheerke,
Die het kruis, dat mij belast
Vrij lichter liet dan mij wel past,
Wees gegroet!
En zegen mijn vijanden, hoort Ge ‘t, ook hen,
Die, me vervolgend op iedere baan,
Vinnig, venijnig, met spijker en pen
Pijn en veel nadeel me hebben gedaan.

postkaart verstuurd 1905

Advertenties

TJIP R. SCHRIJVERS.

TJIP

R. SCHRIJVERS.
Ze noemden ’t ding Kikie,
Ook Fredy, Tjipke, TjiP,
En Tjip ravotte en rolde
En bleek weldra de baas
Van kat en gans en kip.
Vertroeteld werd het ding.
’t At klontjes uit haar hand,
En ’t mocht bij onze bedsteè,
Heel warmpjes toegedekt,
‘S Nachts slapen in een mand.
Het kreeg een blauwen strik
En mede een. belletje aan
Om met zijn meesteresje,
Hoovaardig weg en weer,
Op wandelweg te gaan.
Volzalig was die tijd!
Van pret gaf alles blijk;
Mijn gade was gelukkig,
En ik, met schop en riek,
Den koning wel. te rijk.

En thans? Nu loop ik verloren,
Nu slaat mijn hoofd op hol.
Nu stappen, stomp enstamp.
En Tjipke kijkt me vragend aan :
Is thans mijn meester hier ook dol?
Nog heeft mijn Tjipke ook hier zijn mandje
En ’t ronkt den ganschen nacht.
Maar thans terwijl zijn héer
En meester slaaploos woelt en bang
Een langen, tragen dag verwacht.
Geschud krijgt Tjip nog steeds zijn ‘mandje
En daaglijks, keer op keer,
Zijn kop met kluifjes nu,
Zijn suikerklontjes ook daar straks:
Maar, ach zijn blauwen strik niet meer.
Zijn immer zorgend meesteresje,
Mijn goede gade is heen
En weg mijn thuis., ons huis,
Mijn schoone tuin, ons park vol vee!
ik woon nu met mijn Tjip alleen.

Zijn immer zorgend meesteresje,
Mijn goede gade is dood_
En al mijn heil gezerkt
Met haar, daarginder in het graf.
Mijn gade is dood en alles vlood.
En ‘k zit hier thans, o stomme kamer!
Mijn hoofd staat heet, op hol;
Ik stap hier thans en stamp…
En Tjipke kijkt mij vragend aan :
Is thans mijn meester hier ook dol?
Maar Tjip toch, Tjipke, Tjipke, Tjipke,
Gij hebt goed praten, Gij :
Uw strikje mist ge niet
En verder zorg ik, ik voor U.
Maar wie zal zorgen gaan voor mij?
En doe, en spartel met uw pootjes,
En praat maar, kleine vent,
En bas uw blijdschap uit:
Want anders spreekt me niemand aan
En sterf ook ik wel van ellend.

nieuwjaarskaartje verstuurd 1908

 

TJIP R. Schrijvers

TJIP
R. SCHRIJVERS.

Ze noemden ‘ t ding Kikie,
Ook Fredy. Tjilpke, Tsip
En Tjip ravotte en rolde
En bleek weldra de baas
van kat en gans en kip

Vertroeteld werd het ding.
’t At klonties uit haar hand,
En ’t mocht bij onze bedstee..
Heel warmpjes toegedekt,
s Nachts slapen in een mand.

Het kreeg een blauwen strik
En mede een belletje aan
Om met zijn meesteresje.
Hoovaardig weg en wier.
Op wandelweg te gaan

Volzalig was die tijd!
Van pret gaf alles blijk:
Mijn gade was geltkkig,
En ik. met schop en riek.
Den koning wel te rijk.

En thans? Nu loop ik verloren,
nu slaat mijn hoofd op hol
Nu stappen, stomp ensta,mp.
En Tjipke kijkt me vragend aan :
Is thans mijn meester hier ook dol -f

Nog heeft mijn Tjipke ook hier zijn mandje
En `t ronkt den ganschen nacht.
Maar thans terwijl zijn heer
En meester slaaploos woelt en bang
Een langen, tragen dag verwacht.

Geschud krijgt Tsip nog steeds zijn [mandje
En daaglijks, keer op keer.
Zijn kop met kluifjes nu,
Zijn suikerklontjes ook daar straks;
Maar, ach! zijn blauwen strik niet meer.

Zijn immer zorgend meesteresje,
Mijn goede gade is heen
En weg mijn thuis, ons huis,
Mijn schoone tuin, ons park vol vee!
Ik woon nu met mijn Tjip alleen.

Zijn immer zorgend meesteresje,
Mijn goede gade is dood.
En al mijn heil, gezerkt
Met haar. daarginder in het graf.
Mijn gade is dood en alles vlood.

En ‘k zit hier thans. o stomme kamer!
Mijn hoofd staat heet. op hol ;
Ik stap hier thans en stamp…
En Tjipke kijkt mij vragend aan :
Is thans mijn meester hier ook dol.;

Maar Tjip toch, Tjipke. Tjipke. Tjipke.
Gij hebt goed praten. Gij:
Uw strikje mist ge niet
En verder zorg ik, ik voor U.
Maar wie zal zorgen gaan voor mij?

En doe, en spartel met uw pootjes.
En praat maar. kleine vent.
En bas uw blijdschap uit:
Want anders spreekt me niemand aan
En sterf ook ik wel van ellend.

en gedicht uit 1917 veschenen in Vlaamsch nieuws
heb een lang genomen want is toch de week van de dichters
nieuwjaarskaart 1935 (had niks met kippen)