Tagarchief: Pol De Mont

HENDRIK CONSCIENCE, Pol De Mont

HENDRIK CONSCIENCE,

Pol De Mont

Op Antwerpens veste blikte
de middagzonne neer…
’t Is lang, o, al lang geleden,
wel honderd jaren en meer…

Toevallig ontdekte een straaltje,
in een oude zoldercel,
te midden van boeken, boeken,
een knaapje van zwak gestel.

Weetgierig, met gloeiend voorhoofd,
– geen vuurschot had hem gestoord!
zo las hij – neen, kon hij al lezen? –
Zo spelde hij woord voor woord.

Daarbuiten, in ’t hofje, verhief zich
een stem uit het bloemgewas:
He! Hendrik, aan tafel! aan tafel!
Doch de kleine las slechts… Hij las!

Op Antwerpens veste blikte
de middagzonne neer…
– Een eeuw haast is het geleden,
Wel negentig jaren en meer…

In het hofje, waar eens die stem
het knaapje – doch vruchteloos – riep,
zat in ’t lommer een jongeling te schrijven…
Stil was ’t er, of alles daar sliep.

Stil, op het papier voor de jongeling,
viel een straaltje der zon, en – zowaar!
daar stond, naast den voornaam: Hendrik,
de titel: In ’t wonderjaar!

Op Antwerpens wal blikte
die middag vergeet ik niet meer!
’t Is dertig jaren geleden:
de middagzon neer…

’t Is op ’t Kiel! Aan den voet van een grafnaald,
rond standerds en vlaggen geschaard,
zijn, uit alle gewesten van Vlaanderen,
tienduizenden strijders vergaard.

En daar vallen van ’t marmeren voetstuk
de sluiers ten grond nu, en luid
jubelen duizende stemmen
één naam – als een loflied – uit:

Den naam van het leerziek knaapje
op de donkere zoldercel,
den naam van de schrijvenden jongeling
in het tuinhuis, zonnehel!

Thans wordt die naam gezegend,
verheerlijkt in lied bij lied…
Wie, Vlaming, die trouw aan zijn taal bleef,
draagt de naam in zijn harte niet:
HENDRIK CONSCIENCE!

https://nl.wikipedia.org/wiki/Hendrik_Conscience

Advertenties

MEER DAN GOUD POL de MONT.

MEER DAN GOUD.

POL de MONT.

Haar breiwerk op de knieën,
In haren zetel, breed en hoog,
Zat Grootje, en achter den zware bril
Look stil haar weifelend oog.

Het zonnetje door de ruiten
Bescheen haar rimpelig hoofd zó zoet,
Want… elke middag sliep ze zo,
En ’t deed haar steeds zoo’n goed!

Zwart-poeske volgde ’t voorbeeld:
Zodra Oud-grootje de ogen sloot,
Wip! lag het op haar stramme knieën
En ronkte op hare schoot.

Dan had men haar geschilderd,
Met kraag en kap en strik en lint,
Haar altijd lachend aangezicht.
Vol eenvoud, als een kind.

Doch, zie… daar komt het kleintje,
Lief dochtertje, nauw zeven jaar,
Legt pop en bikkels heimelijk neer
En nadert zoet tot haar;

En met een schalkse glimlach,
En met van slimheid flonkerend oog
Bergt het voorzichtig naald en kous
In ladekas of toog.

En Grootjes kap fluks sierend
Met loverranken, fris en groen:
Daar! lacht het schelms, dat komt er van
Te slapen iedere noen

Stil is weer ’t kind gezeten
naait voor Mieke-pop een kleed
Maar slaat Oud-grootje gade,
Die nergens iets van weet!

Opeens, daar roert Zwart-poesken.
De slaapster schuddebolt en schrikt,
En achter ’t zware brilglas
Ontluikt zij ’t oog, en blikt…

Daar valt haar van de kappe
De ganse groene loverbos,
En ’t speelziek meisje giechelt
En barst in lachen los.

Gij deugniet, kijft Oud-grootje,
Maar ’t kleintje kijkt zo schelms haar aan:
Ik deed het niet, Oud-grootje,
Zwart-poeske heeft het gedaan!

En ’t vrouwke trekt haar peetkind
Tot zich: Al waart ge een beetje stout
‘k Zou voor geen geld u missen.
Ge zijt me meer dan goud.

GROOTMOEDER. POL de MONT.

GROOTMOEDER.

POL de MONT.

Mij dunkt, nog zie ik haar zitten,
De brave, goede vrouw,
In haren breden leunstoel,
In ’t hoeksken van de schouw.

‘k Zie nog haar witte kap,
Haar nederig zwarte kleed,
En de ogen, die allengs
De tijd verdoven deed.

Haar bleke, paarse kaken,
Haar beenderige hand.
En dan… de trouwe kruk,
Die ophing aan den wand.

Nu is haar hoekje ledig,
De kruk niet meer daar…
Geen kind woelt om den zetel
En speelt en jokt met haar.

Maar, telkens als ik inkom
En ’t ledige plekje aanschouw…
Me dunkt, ik zie haar nog zitten,
En ach! ik draag haren rouw.

Uit: Op mijn dorpke

nieuwjaarskaartje verstuurd 19xx nodat ela 939

Jan Lijmpot Pol de Mont

JAN LIJMPOT.

Pol De Mont

Jan Lijmpot komt! Jan Lijmpot komt!
En strijkt dan, o, zoo zacht, ‘
Zijn borsteltje over kindjes oog
En fluistert: goede nacht

En ’t kindje ziet, noch hoort, noch voelt
Het wondere dwergje niet,
Dat, met zijn lijmnpotje in de hand,
Halflachende, zo, ’t beziet.

Maar traagjes zinken de oogjes toe,
En ’t hoofdje knikt, zakt neer;
De kleine geeuwt, en zucht en… slaapt,
Verroert geen lidje meer.

En Moeken heft hem uit zijn stoel,
Vlijt hem in ’t wiegsken neer,
En dekt hem toe en staart hem aan
En kust hem, nog, en meer.

En ’t wiegsken schommelt; de blozerd snorkt.
Bravo, roept Moe, bravo!
Ge zijt een baas, Jan, ge kent uw stiel
Do, kindeken, do, do!

HEVAH Gedicht van Pol de Mont

HEVAH
Gedicht van Pol de Mont
Naar de kerstschilderingen van Hans seliger en Cesar Klein

Op wollige -wolkenkussens,
lichtblauw, met verzilverden rand,
lag, nog vermoeid van den arbeid der Schepping,
Jahweh gestrekt, in dien zaligen dommel,
die halve sluimring van zin en van geest,
die poëten bevangt,
als een meesterlijk vers hun gelukt is.

Onder zijn machtigen snor,
wit als sneeuw en wat geel aan de tippen,
lachte zijn godlijke mond,
lachte, k neesrnuilend bij ’t zalig gedenken
aan de lieve popjes,
de kleine mensjes,
die hij met de ogen zijns geestes ontwaarde,
als beweegbare, rozige vlekjes,
ginds verre beneden, — heel verre beneden,
op het lieflijke groen van het Eden.

Daar zag hij ze beiden,
man en vrouw, twee schuldloze kinderen,
spelend en dartelend,
lopend en buitelend
onder tt machtige loof van den Boom der Kennis,
Moedernaakt, twee schuldloze wichtjes,
stoeiden zij tussen de hoge gewassen,
ruikers lezend,
kroontjes vlechtend,
elkander behangend met geurige kransen ;
en boven hun lokkige hoofden
bloosde en blonk,
kervend van rijpheid,
ongezien, ongedeerd,
de gouden Appel des Wetens,
wiens pit bevatte het grote geheim
van de liefde en de vleeselijke lusten ;
en rond den stam van den heerlijken Boom,
als. een breede glimmende purperband ,
krinkelkronkelde in slangengedaante
die Geest, die, op J•ahwehs IDevel,
den Boom en zijn Appel bewaakte…

Heiisah! Daar schiet het den Oude te binnen
Is het geen tijd, op den zevenden dag
zevenden nacht te doen volgen
moet Mosche niet schrijven in Genesis 1
Er was een morgen en een avond,
” Was de zevende dag ?

De benen wijd onder Zich gestrekt,
Zit nu. de God overeind.
wordt vervolgd

nieuwjaarskaartje verstuurd 1925 05cent ALBERTKLEINDONKER 076LEO240

HET PATERKEN Pol de Mont

HET PATERKEN

Pol de Mont
Voor den lieven Heilige van Assisi

Daar zat een pater,
jong en jent,
in ’t kwikst van de Lent,
bij ’t stille vijverwater.
De vijver was er zo klaar en zo diep, —
’t was of er de hele blauwe hemel in sliep.
Het paterken droeg er een lange ,donkre pij,
bedriegd met menig lapje;
een lange witte koord hing aan zijn zij
en tussen zijn schouders een kapje.
Zijn kruin was kaal, zijn baardje blond,
als rijpe wijnkerzen bloosde zijn mond.
Zijn oogen waren zo klaar en zo diep—
’t was of er de hele blauwe hemel in sliep.

Stil zat de pater,
jong en jent,
in de goudblauwe Lent
bij het water,
dat, ongerimpeld, te lachen lag,
azuren in den azuren dag.
met, hier en daar, op lange stelen,
wat dikke botten van waterlelen
en, tussen groene lissen,
wat gele en blauwe irissen,
en dan, te midden van blauw en groen,
rondzwemmend of spartelend in den zoen
van de zon, al vissen, vissen,
veel grote en kleine vissen.

« Ei , dacht daar toen
bij ’t waterken
het jonge, jente paterken ;
« wat kan een pater zo al doen
op zulk een blauwen meiënnoen,
gezeten bij het waterken
in vollen. zonnezoen ?
Welaan! Ik hou sermoen!
En .vind ik hier noch vrouw noch man
wel, ‘k predik voor de vissen dan
Ei ! Vissen en vissekens allerhande
komt bij, zwemt naar den groenen rand„ .
Zwemt bij, in Jezus teken
‘k Wil voor u spreken en preken ! „
En tussen al het watergroen
van plompen, riet en lissen,
de visselkens, de vissen
wie rood, wie goud, wie zilverwit
wie blauw, wie vaal, wie zwart als git
de baarsjes en de grondelingen,
de karpers en de zilveringen,
de snoek, de louw, de modderaal
de stekelbach, ’t kwam allemaal
wie dun als pieren
of fijn als zieren,
breed als een hand of lang als een arm,
ze kwamen, kwamen, dicht gelijk een bijenzwerm
gebloken en geglommen,
recht naar den kant gezwommen.

Toen, bij het blauwe waterken,
zoo blauw en diep als ’t luchtgewelf,
stond plechtig recht het paterken:
Franciscus zelf !
Hij zegende, met zijn handen blank,
de vissen grote en kleine,
en sprak hen toe :
« Ei! God zegt dank
voor ’t Leven, Broertjes mijne!
Ei ! Cod zegt dank. dat Hij u riep
uit Niet en u tot Leven schiep,-
In ’t allerreinste, wat bestaat,

slijt gij uw leven; vroeg en laat
zwelgt gij, het drinken moe noch mat,
het kristallijnen zilvernat,
en rust, met eeuwig-open mondje,
geen duizendste deeltje van ee’iti stonde

Toch zijn er, Vissen, onder u,
die zooveel levenswonnen
onweerd zijn en misgonnen ,
dat hunne broerkens, zwak en klein
gelijk zij zelven gelukkig zijn…

Veelvratige snoek, u treft mijn woord
die leeft en teert van roof en moord.
Weet het! ’t Is grote zonde!
Bekeer u van dees stonde. »

Stil lagen de vissen en visselkens
met groten, verwonderden ogenbal,
in ’t glinsterend doorzichtig water
naar den blonden, blozenden pater
te luisteren
1880

OUD LIED Pol de Mont

OUD LIED
Pol de Mont
Een Koning heerste, —was bang van Dood,
en de pest woedde om zijn staten.
Een muur, die hoog zijn burcht omsloot
liet hij bouwen door zijn laten…
De muur was honderd vademen hoog…
Geen venster was er in gelaten

Een Koning heerste,—was bang van Dood..
De pest. drong in zijn staten…
Een kelder, waar hij zich zelf in sloot,
liet hij bouwen door zijn laten.
De deur was van drij-dik ijzer zwaar…
Geen venster was er in gelaten.

Zes weken lang, bij der toortsen licht,
bad daar, voor het kruis des Heren,
de Koning, met bleek en bang gezicht,
toch Dood van hem te weren
De muur was zo hoog en de deur was zo dik
Daar kon de ziekte hem niet deren…

Hofmeier noch maarschalk hoog van staat,
Prinsje noch Koninginne,
niet eens zijn biechtvader,de vroomste prelaat
bij den Koning binne
Hij was zoo bang van Dood…
Alleen zijn lijfarts mocht er inne.

Eéri keer daags, om den middagtijd,
kwam de lijfarts bij zijn Koning,
en bracht hem. tijdens de misse gewijd,
brood, vruchten, mede en honing, —
De, Koning zat, de Koning bad
veilig in de onderaardse woning.

De zevende week… de lijfarts stond
vóór hem en begon te spreken.
« Mijn Koning! Hoe blijde doe ik ’t ir kond!
’t Gevaar is haast geweken !
God hoorde uw machtige koningsbee.,..
De Pest verliet uw schone streken!»

De Koning zei : « Verzoek mij niet!
Nu keren waar’ voorijlig…
Want, kwam terug naar mijn gebied
de Pest, … hier ben ik veilig
Voor zeven weken laat ik niet
dit oord! ik zweer het hoog en heilig»..

Op den dis, bij ’t gewijde ooft en brood
stond zuivere mede en honing. —
Voor ’t kruis van den Heiland, —bang van Dood,
weer, biddend, knielde de Koning. .
Door de deur van drijdik ijzer zwaar
ging de arts uit de onderaardse woning.

Door de deur van drijdik ijzer zwaar
op vleugelkens, vlos en vlugge,
vloog, eer zij dichtsloeg, onzichtbaar
in ’t donker, een kleine mugge…
Eerst fladderde ze om het toortsenlicht,
nu weg, dan weer, en steeds terugge.

Vóór ’t kruis van den Heiland bad de Vorst:
«0, God! Wees mij ter wille !
Genade! » en hij klopte zich vroom op de borst
De mug vloog stille, stille
naar den gouden hoorn, met mede gevuld,
en liet haar vlerkjes trillen trillen,

en doopte haar zuiger, zoo diep zij kon,
in de klare, kralende mede,
en vloog dan,gelokt door de toortse, — die zon
in die vlammende heerlijkhede. . —
De Koning trad naar den dis en at
van ’t ooft en ’t brood en dronk de mede…

En toen, één etmaal na die stond’,
de lijfarts wederkeerde,
was ’t niet zijn. Koning, dien hij vond…—
Plat. uitgestrekt ter aerde,
als kool zoo zwart, lag, koud en dood,
deVorst,dien zoo deDood verveerde..

Een Koning heerste,-was bang van Dood,
en de pest woedde in zijn staten…
Een kelder, waar hij zich zelf in sloot,
liet hij bouwen door zijn laten…
De deur was’ van drijdik ijzer zwaar,
geen venster was er in gelaten…
1880.Uit Dichterlente, tweede uitgave Van Pol de
Monts. in 1880 verschenen Gedichten Deze beide
stukken bleven tot nu onuitgegeven.

kaart verstuurd 1918