Tagarchief: Pol De Mont

HEVAH Gedicht van Pol de Mont

HEVAH
Gedicht van Pol de Mont
Naar de kerstschilderingen van Hans seliger en Cesar Klein

Op wollige -wolkenkussens,
lichtblauw, met verzilverden rand,
lag, nog vermoeid van den arbeid der Schepping,
Jahweh gestrekt, in dien zaligen dommel,
die halve sluimring van zin en van geest,
die poëten bevangt,
als een meesterlijk vers hun gelukt is.

Onder zijn machtigen snor,
wit als sneeuw en wat geel aan de tippen,
lachte zijn godlijke mond,
lachte, k neesrnuilend bij ’t zalig gedenken
aan de lieve popjes,
de kleine mensjes,
die hij met de ogen zijns geestes ontwaarde,
als beweegbare, rozige vlekjes,
ginds verre beneden, — heel verre beneden,
op het lieflijke groen van het Eden.

Daar zag hij ze beiden,
man en vrouw, twee schuldloze kinderen,
spelend en dartelend,
lopend en buitelend
onder tt machtige loof van den Boom der Kennis,
Moedernaakt, twee schuldloze wichtjes,
stoeiden zij tussen de hoge gewassen,
ruikers lezend,
kroontjes vlechtend,
elkander behangend met geurige kransen ;
en boven hun lokkige hoofden
bloosde en blonk,
kervend van rijpheid,
ongezien, ongedeerd,
de gouden Appel des Wetens,
wiens pit bevatte het grote geheim
van de liefde en de vleeselijke lusten ;
en rond den stam van den heerlijken Boom,
als. een breede glimmende purperband ,
krinkelkronkelde in slangengedaante
die Geest, die, op J•ahwehs IDevel,
den Boom en zijn Appel bewaakte…

Heiisah! Daar schiet het den Oude te binnen
Is het geen tijd, op den zevenden dag
zevenden nacht te doen volgen
moet Mosche niet schrijven in Genesis 1
Er was een morgen en een avond,
” Was de zevende dag ?

De benen wijd onder Zich gestrekt,
Zit nu. de God overeind.
wordt vervolgd

nieuwjaarskaartje verstuurd 1925 05cent ALBERTKLEINDONKER 076LEO240

Advertenties

HET PATERKEN Pol de Mont

HET PATERKEN

Pol de Mont
Voor den lieven Heilige van Assisi

Daar zat een pater,
jong en jent,
in ’t kwikst van de Lent,
bij ’t stille vijverwater.
De vijver was er zo klaar en zo diep, —
’t was of er de hele blauwe hemel in sliep.
Het paterken droeg er een lange ,donkre pij,
bedriegd met menig lapje;
een lange witte koord hing aan zijn zij
en tussen zijn schouders een kapje.
Zijn kruin was kaal, zijn baardje blond,
als rijpe wijnkerzen bloosde zijn mond.
Zijn oogen waren zo klaar en zo diep—
’t was of er de hele blauwe hemel in sliep.

Stil zat de pater,
jong en jent,
in de goudblauwe Lent
bij het water,
dat, ongerimpeld, te lachen lag,
azuren in den azuren dag.
met, hier en daar, op lange stelen,
wat dikke botten van waterlelen
en, tussen groene lissen,
wat gele en blauwe irissen,
en dan, te midden van blauw en groen,
rondzwemmend of spartelend in den zoen
van de zon, al vissen, vissen,
veel grote en kleine vissen.

« Ei , dacht daar toen
bij ’t waterken
het jonge, jente paterken ;
« wat kan een pater zo al doen
op zulk een blauwen meiënnoen,
gezeten bij het waterken
in vollen. zonnezoen ?
Welaan! Ik hou sermoen!
En .vind ik hier noch vrouw noch man
wel, ‘k predik voor de vissen dan
Ei ! Vissen en vissekens allerhande
komt bij, zwemt naar den groenen rand„ .
Zwemt bij, in Jezus teken
‘k Wil voor u spreken en preken ! „
En tussen al het watergroen
van plompen, riet en lissen,
de visselkens, de vissen
wie rood, wie goud, wie zilverwit
wie blauw, wie vaal, wie zwart als git
de baarsjes en de grondelingen,
de karpers en de zilveringen,
de snoek, de louw, de modderaal
de stekelbach, ’t kwam allemaal
wie dun als pieren
of fijn als zieren,
breed als een hand of lang als een arm,
ze kwamen, kwamen, dicht gelijk een bijenzwerm
gebloken en geglommen,
recht naar den kant gezwommen.

Toen, bij het blauwe waterken,
zoo blauw en diep als ’t luchtgewelf,
stond plechtig recht het paterken:
Franciscus zelf !
Hij zegende, met zijn handen blank,
de vissen grote en kleine,
en sprak hen toe :
« Ei! God zegt dank
voor ’t Leven, Broertjes mijne!
Ei ! Cod zegt dank. dat Hij u riep
uit Niet en u tot Leven schiep,-
In ’t allerreinste, wat bestaat,

slijt gij uw leven; vroeg en laat
zwelgt gij, het drinken moe noch mat,
het kristallijnen zilvernat,
en rust, met eeuwig-open mondje,
geen duizendste deeltje van ee’iti stonde

Toch zijn er, Vissen, onder u,
die zooveel levenswonnen
onweerd zijn en misgonnen ,
dat hunne broerkens, zwak en klein
gelijk zij zelven gelukkig zijn…

Veelvratige snoek, u treft mijn woord
die leeft en teert van roof en moord.
Weet het! ’t Is grote zonde!
Bekeer u van dees stonde. »

Stil lagen de vissen en visselkens
met groten, verwonderden ogenbal,
in ’t glinsterend doorzichtig water
naar den blonden, blozenden pater
te luisteren
1880

OUD LIED Pol de Mont

OUD LIED
Pol de Mont
Een Koning heerste, —was bang van Dood,
en de pest woedde om zijn staten.
Een muur, die hoog zijn burcht omsloot
liet hij bouwen door zijn laten…
De muur was honderd vademen hoog…
Geen venster was er in gelaten

Een Koning heerste,—was bang van Dood..
De pest. drong in zijn staten…
Een kelder, waar hij zich zelf in sloot,
liet hij bouwen door zijn laten.
De deur was van drij-dik ijzer zwaar…
Geen venster was er in gelaten.

Zes weken lang, bij der toortsen licht,
bad daar, voor het kruis des Heren,
de Koning, met bleek en bang gezicht,
toch Dood van hem te weren
De muur was zo hoog en de deur was zo dik
Daar kon de ziekte hem niet deren…

Hofmeier noch maarschalk hoog van staat,
Prinsje noch Koninginne,
niet eens zijn biechtvader,de vroomste prelaat
bij den Koning binne
Hij was zoo bang van Dood…
Alleen zijn lijfarts mocht er inne.

Eéri keer daags, om den middagtijd,
kwam de lijfarts bij zijn Koning,
en bracht hem. tijdens de misse gewijd,
brood, vruchten, mede en honing, —
De, Koning zat, de Koning bad
veilig in de onderaardse woning.

De zevende week… de lijfarts stond
vóór hem en begon te spreken.
« Mijn Koning! Hoe blijde doe ik ’t ir kond!
’t Gevaar is haast geweken !
God hoorde uw machtige koningsbee.,..
De Pest verliet uw schone streken!»

De Koning zei : « Verzoek mij niet!
Nu keren waar’ voorijlig…
Want, kwam terug naar mijn gebied
de Pest, … hier ben ik veilig
Voor zeven weken laat ik niet
dit oord! ik zweer het hoog en heilig»..

Op den dis, bij ’t gewijde ooft en brood
stond zuivere mede en honing. —
Voor ’t kruis van den Heiland, —bang van Dood,
weer, biddend, knielde de Koning. .
Door de deur van drijdik ijzer zwaar
ging de arts uit de onderaardse woning.

Door de deur van drijdik ijzer zwaar
op vleugelkens, vlos en vlugge,
vloog, eer zij dichtsloeg, onzichtbaar
in ’t donker, een kleine mugge…
Eerst fladderde ze om het toortsenlicht,
nu weg, dan weer, en steeds terugge.

Vóór ’t kruis van den Heiland bad de Vorst:
«0, God! Wees mij ter wille !
Genade! » en hij klopte zich vroom op de borst
De mug vloog stille, stille
naar den gouden hoorn, met mede gevuld,
en liet haar vlerkjes trillen trillen,

en doopte haar zuiger, zoo diep zij kon,
in de klare, kralende mede,
en vloog dan,gelokt door de toortse, — die zon
in die vlammende heerlijkhede. . —
De Koning trad naar den dis en at
van ’t ooft en ’t brood en dronk de mede…

En toen, één etmaal na die stond’,
de lijfarts wederkeerde,
was ’t niet zijn. Koning, dien hij vond…—
Plat. uitgestrekt ter aerde,
als kool zoo zwart, lag, koud en dood,
deVorst,dien zoo deDood verveerde..

Een Koning heerste,-was bang van Dood,
en de pest woedde in zijn staten…
Een kelder, waar hij zich zelf in sloot,
liet hij bouwen door zijn laten…
De deur was’ van drijdik ijzer zwaar,
geen venster was er in gelaten…
1880.Uit Dichterlente, tweede uitgave Van Pol de
Monts. in 1880 verschenen Gedichten Deze beide
stukken bleven tot nu onuitgegeven.

kaart verstuurd 1918

DICHTERTROTS Pol De Mont

DICHTERTROTS
Aan Kroisos mijn vriend.

Bied mij dollars, roebels, ponden,
de eêlgesteenten van Golkonden;
bied mij al het diamant
van Tranvalens rijke Rand;
bied me al de ongedolven schatten
die én Oost én West bevatten ;
daarvoor toch verzaak ik niet
aan deze een, deze éne gave,
— al mijn heil en heel mijn have ! —
die maar God, en God alleen,
geven kan, en mensen geen!
Daarvoor. toch verzaak ik niet
aan de wondre hemelgave
van het lied,
— mijn eigen lied.

Bied mij vanen en banieren,
ordebanden en kwartieren,
titels, posten, zwaar van eer,
waardigheden meer en meer;
bied mij, met der helden glorie,
al de lauwren der victorie; —
ook daarvoor verzaak ik niet
aan deze een, deze éne gave,
— heel mijn heil en heel mijn have ! —
die Maar God, en God alleen,
geven kan, en mensen geen !
Daarvoor toch verzaak ik niet
aan de wondre hemelgave
, van het lied,
— mijn eigen lied.

Bied mij mijters en tiaren,
kronen, mij, van keizers, tsaren
England s Wereldheerschappij,
Xerxes’ heirmacht, en, daarbij,
’t krijgsvernuft van Alexander; —
weg er mee! Bekoor een ander !
Ook daarvoor nog derf ik niet
deze gaaf, deze éne gave,
— heel mijn heil en heel mijn have !
die maar God, en God alleen,
geven kan, en mensen geen!
Neen, ook daarvoor derf ik niet
deze wonderste aller gaven,
die van ’t lied,
— mijn eigen lied.

Bucht dat alles! Beuzelingen,
bij dit één, dat ik kan zingen,
kan doen leven, schier uit Niet,
al ’t geschapene in mijn lied; •
smaken kan, al wat ooit mensen
wensten of eens zullen wensen ;
geven kan, wat niemand geeft,
en Waar de eeuwigheid in leeft…
Niet met koningen, keizers, tsaren,
met God á zingende engelscharen
is, geteeld uit mensenkracht,
’t dichtervolk uit één geslacht..
Schatten, kronen, goed voor mensen
Dichters durven hoger wensen 1
Wilt gij mij bekoren, man,
bied me in ééns de hemel dan !
Pol DE MONT.

Uit het Vlaamsch leven 1916
kaartje verstuurd 1926

https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_Vlaamse_schrijvers#V

Aan een Vogel, die zong in de nacht Pol. De Mont

Aan een Vogel, die zong in de nacht

Wat moogt gij, vogel, toch zingen
zo vreemd in. de stille nacht,
half-als een juichen van wonne,
half-als een vlijmende klacht?

Zijn het dierb’re herinneringen,
deels vreugde, deels verdriet,
op-wellend, van zelf, uit uw hartje,
uitborlend, van zelf, tot een lied ?

Als droplende regenpaarlen,
bezwangerd met melodij,
als paarlend fonteingedroppel
spranklen de klanken rond mij.

Ik luister, en in mijn binnenst
breekt open een oude wond…
Heb ik niet zelf eens die wonne,
niet zelf ‘eens die smarte vermond ?

Heb ik niet zelf eens gezongen
van wonne — en van wee tegelijk,
van wonne — om een bloeiend leven,
van wee, — om een ijskil lijk ?

Toen zaat gij; vogeltje, stille
en zweegt in uw mossen woon,
en — zwijgend — hoordet gij alles,
en – zwijgend — verloort gij geen toon..

Maar de juichende of klagende woorder
verstondt en onthieldt gij niet..
Slechts de wijze, de wislende wijze,
bewaardet gij in uw lied..

En die wijze, die wondere wijze,
en die woorden zo wonderteer,
die zo lang in mijn harte sliepen, —
nu, vogel, nu wekt, gij ze ‘weer.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Pol_de_Mont

kaartje is van 1934 maar ja een oud hoevetje is ook al iets