Tagarchief: Maurice Steenhout

DRIELUIK, VAN MAURICE STEENHOUT.

III JEZUS

MAURICE STEENHOUT

Zij, die met ziele-lasten als belaán.
moe-torsend hunne levensscherven,
niets hopen meer dan ’t uur van sterven,
zij troffen Jezus wandelend op hun baan.

En Hij, mild, metend hunne ziele-duisternis
bij hunner ogen leedgestaar,
en met ootmoedig-gul gebaar
hen nodend aan Zijn rijken liefde-dis,

Hij bood er hun Zijn have en goed,
terwijl Hij stralend in Zijn schoonheid rees :
Daar, neem en eet, dit is mijn vlees,
daar, neem en drink. dit is mijn bloed !

En daar Hij sprak het liefdewoord
kwam hunne ziel in wijde klaarte baden,
en door hun leven rilde een hergeboorte,
als jeugdig sap door jonge lentebladen.

Hun ziele fladderde om Zijn ziele rond
en dronk aan Zijne ziele klaarte,
als vlinder, die eens rups was laag bij grond
uit reine lelie honing gaart. ‘

verstuurd rond 1910 frgr5 circe4169

Advertenties

DRIELUIK, VAN MAURICE STEENHOUT.

II. — De Blijde boodschap

Eén weg is er maar, dien de mens kan gaan

het schone, schalmeiende leven !

Het leide langs steg of het lelde langs laan,

het leven is waard dat men ’t leve !

 

De bloemkelken groeien naar ’t laaiend licht,

het glanzend, het gul en het gouden!

En draai ik naar liefde mijn gerig gezicht :

twee ogen die ‘r glunder in schouwen.

 

Is zondig het vlees en besmeurd met slijk ;

zijn zinlijk bij wijn de gebaren ;

zeg! zoet smaakte de appel en zerp tegelijk,

en lokte als hij hing in de blaren.

 

Ai ! Leed heeft er menige ziel bezeerd ;

— door Jezuke’s hart stak een lanse —

de schoonheid der smart is ’t verheerlijken weerd,

in liederen, waar beelden in dansen.

 

En zingt mijne ziel haren zielezang :

de blijheid is de eeuwige boodschap!

Ik drink mijnen drank en ik ga mijnen gang

bah.! Toch komt er brood op de broodschap !

Nieuwjaarskaartje: 1910 frgr5 chrysanhemes serie a

DRIELUIK, Maurice Steenhout.

DRIELUIK,
van Maurice Steenhout.

I. — De Doolaars
Wie morrens-moe hun sloven staken
en bedelen om hun. bete brood
en toch in hunne zielen slaken
een kreet van passie groot;

Wie eenzaam, levens-dorstig, branden
van brandewijn in lage kroeg,
en drinkend, breken heilige banden,
en hebben nooit genoeg;

Wie door de dagen ’t leven sleuren,
in stegen vuil en vaal van licht,
en kloppend staan aan alle deuren,
wijl elke deur blijft dicht ;

Wie door den wijden avond waden,
door walmen zomer-teer aroom,
in hun groot-open ogen raden
een verren, verren droom

Wier krachten sluimeren in hun zielen,
stil doodgaan, dor en ongevoed,
wier levensliefden nedervielen,
In giftigen wereldvloed;

zij zijn ’t die zuchten en die zoeken
naar ’t woord van licht en liefde, zie !
Zij dragen op hun schouders als vloeken,
een donkere profetie.