Tagarchief: M.H.Rutten

LOFZANG VAN JUDITH M.H.RUTTEN

LOFZANG VAN JUDITH
M.H.RUTTEN

Heft aan uw jublend vreugdgeschal
Bij ’t hol gebrom van tromlen en cymbalen;
Weergalme en dreune ’t luid langs berg en dalen
Van ’s wreedaards val.
Jehova is de God der legerscharen,
Zijn naam is : Heer !,
Wee hem die Juda ooit durft tegenvaren!
God sloeg zijn kamp In Isrel neer,
Liet strafloos nooit het juk op zijne schoudren wegen.
Maar vloog zijn volk ter hulp om bloed’ge wraak te plegen.

Uit ’t noordgebergte rolde Assur aan ;
Zijn talloos leger deed de stromen drogen:
De grond dook weg van paarden zwart betogen ;
Hij sprak in waan :
« Het vuur en ’t staal zal ‘k door uw velden zwaaien,
Tot woestenij
Verschroeid, Door ’t zwaard uw jongelingen maaien;
Uw maagden voer ‘k in slavernij,
Uw kroost geef ik ten prooi aan mijne krijgren drommen.
Maar ’s Heeren toorn ontstak en deed zijn mond verstommen

Hij viel niet, neen, hun grote vorst,
Door d’eedlen moed van Isrels jongelingen;
Geen Titans zoon, geen stoot van reuzen klingen
Doorstak zijn borst.
Maar ‘Judith, Meraar’s telg, kon ’t hart hem wonden
Door ’t schoon gelaat.
Zij had, voor ’t weduwkleed, haar lijf omwonden
Met pronkjuweel en feestgewaad,
Haar lokken opgesmukt, met eélgesteent doormengeld,
En zijne trotse ziel haar schoonheid vastgestrengeld

Doch ’t zwaard valt neer, en de eigen stond
Ziet ’t hoofd des dwingelands voor zijne voeten rollen,
Daar angst en schrik het bloed in de aadren stollen
En huivren rond.
Dan kermt, dan huilt het kamp der Assyrieren
Uit enge borst,
Nu juda’s zonen door de vlakte gieren,
Gezweept door onverzaadbren dorst
Om ’s vijands rokend bloed bij stromen te vergieten,
En om de vreugd der wraak in ’t moorden te genieten.

De maagden zonen sloegen ’t heir,
Doorboorden hen toen zij als kindren vloden.
En in ’t gevecht kon zelfs één blik hen doden
Van Isrel’s Heer.
Ons vreugd’ dan uitgestort in lofgezangen!
Ontvloei’ ons hart
Een lied tot Hem, wiens schuts ons heeft ontvangen.
Wiens macht nooit sterfling strafloos tart
Jehova, roemrijk groot zijt gij in uw vermogen !
Alle eer zij U , voor U elk schepsel neergebogen!

Gij spraakt en ’t was; Gij zondt uw aam
En het heelal was uit het niet getrokken
Niets wederstaat uw woord : de bergen schokken
En storten saam
De zee bruist aan en overstroomt de velden:
Het rotsgesteent
Vloeit weg; maar, die op U hun hope stelden
Zijn groot, hun wordt uw hulp verleend
Wee ! Wee dan ’t roekloos volk dat ’t uwe durft bestoken!
Met rampen zonder tal wordt zulk bestaan gewroken.

Nieuwjaarspostkaart verstuurd rond 1912

Advertenties