Tagarchief: Lambrecht Lambrechts

De Braamstruik Lambrecht Lambrechts

De Braamstruik
Lambrecht Lambrechts

Volheerlijk kwam de julizon elk jaar.
Nabij den slagboom van het mossig hekken.
De schouders van den wilden rozelaar.
Met een scharlaken rozenmantel dekken.

Wat sluwe woekerplanten maken daar?
’t Zijn bramen die hun machtige armen rekken
En knop en wurgen naast elkaar
Geen zomer komt den ouden djonk meer wekken

Zo mocht mijn ziek in zegenvolle dagen
Een wolk van blijde levensbloemen dragen
Mijn liedren in hun kuise levenspracht

Naar donkre rampen zijn nabij geslopen
En onmeedogend werd in hun knopen
De rozen van mijn rijke jeugd versmacht.

Postkaart verstuurd 1921

Advertenties

De Paardjesmolen Lambrecht Lambrechts

De Paardjesmolen
Lambrecht Lambrechts
En ’t moleken stond er zo leutig te draaien.
Wat zaten de knapen er luide te kraaien!…
Een jongetje bleef naar een rondeken snakken.
Maar woelde vergeefs met zijn hand in de zakken.

Zijn vadertje lag op den heuvel begraven ;
Nauw kon hem zijn moedertje voeden en laven ;
Geen hoop kwam het gretige kereltje paaien
En’t moleken stond er zo leutig te draaien.

Daar wenkte zijn peetje een rimpelig ventje.
Derop klonk het woord en hij gaf hem een centje.
Hoe lekkertjes gingen de paarden aan ’t draaien!
Hoe fie zat het knaapje met de armen te zwaaien.

postkaart 1921

Het Bronneken Lambrecht Lambrechts

Het Bronneken
Lambrecht Lambrechts

Ik bleef in het bos bij het bronneken staan,
Dat neurde bezijden de mossige baan.
Een meende daar gooit in een zwierigen boog
Een meisje haar kleurige ballen omhoog.

Ik heb op de lokkende bloemen gerust ;
Wat werd ik er fijn in een dutje gesust !
Een liedje bewoog in den dartelen plas,
Alsof het de stem van een orgelken was

Geen wekkerken noodde zoo vlijtig : Sta op!
Het zonneken speelde in den guitigen drop,
En lachte, totdat er in “t wiegende woud
Een bronneken laaide van borrelend goud !

kaartje verstuurd 1921

Het Bronneken Lambrecht Lambrechts

Het Bronneken
Lambrecht Lambrechts

Ik bleef in het bosch bij het bronneken staan,
Dat neurde bezijden de mossige baan.
Ik meende daar gooit in een zwierigen boog
een meisje haar kleurige ballen omhoog.

Ik heb op de lokkende bloemen gerust ;
Wat werd ik er fijn in een dutje gesust !
Een liedje bewoog in den dartelen plas,
Alsof het de stem van een orgelken was

Geen wekkerken noodde zoo vlijtig :Sta op!
Het zonneken speelde in den guitigen drop,
En lachte, totdat er in “t wiegende woud
Een bronneken laaide van borrelend goud !

nieuwjaarskaartje 1920

De Braamstruik Lambrecht Lambrechts

De Braamstruik
Lambrecht Lambrechts

Volheerlijk kwam de julizon elke jaar.
Nabij de slagboom van het mossig hekken.
De schouders van den wilden rozelaar
Met een scharlaken rozenmantel dekken

Wat sluwe woekerplanten naken daar?
’t Zijn bramen die hun machtige armen rekken
En knop en bloesem wurgen naast elkaar
Geen zomer komt den ouden djok meer wekken.

Zo mocht mijn ziel in zegenvolle dagen
Een wolk van blijde levensbloemen dragen
Mijn liedren in hun kuise levenspracht

Maar donkre rampen zijn nabijgeslopen
En onmeedogend werd in hun knopen
De rozen van mijn rijke jeugd versmacht.

nieuwjaarskaartje 1920

De Paardjesmolen Lambrecht Lambrechts

De Paardjesmolen
Lambrecht Lambrechts

Het moleken stond er zoo leutig te draaien.
Wat zaten de knapen er luide te kraalen!…
Een jongetje bleet tiaar een rondeken snakken.
Maar woelde vergeefs met zijn hand in de zakken.

Zijn vadertje lag op den heuvel begraven ;
Nauw kon hem zijn moedertje voeden en laven ;
Geen hoop kwam het gretige kereltje paaien —
En ’t moleken stond er zoo leutig te draaien.

Daar wenkte zijn peetje een rimpelig ventje,
Derop ! » klonk het woord en hij gaf hem een cent.
Hoe lekkertjes gingen de paarden aan ’t dr aaien !
Hoe fier zat het knaapje niet de armen te zwaaien

nieuwjaarskaartje verstuurd 1920