Tagarchief: Eugeen Pittevils

MORGEN Eugeen Pittevils.

MORGEN

Eugeen Pittevils.
Een grijze-blauwe nevelwade sliert
Op stil en vredig-rustend landschap zaht
Het is of alles ingetogen wacht;
Wijl ’t Oosten roze en maluwverwe siert.

Een paarse wolkbank nu de kim beplast:
Waarin een vrome aandoening golve-trilt
Daarachter vlamme-rood de zonne wast
Die mist en boom in purper samensmilt
Aan buigend-groenen grasspriet beeft en drop
Die immer heller, heller vonkelblinkt
Terwijl de zonne hoog ten hemel zwinkt
Nu is er leven, leven overal,
Met zoete aromengeur zweeft blij geschal:
De leeuwrik stijgt naar blauwe transen,

kaartje verstuurd 1920

 

Advertenties

DIE OGEKENSTAAL. Eugeen Pittevils

DIE OGEKENSTAAL.
Eugeen Pittevils

De sterrekens pinken
Des avonds zo klaar.
De sterrekens winken
Naar waar? Naar waar:
Der bloemekens kroontjes
Ze blijven niet dicht:
Wie houden die schoontjes
Hun kelkjes gericht?
— Ze spreken zo schrander
Hun ogekenstaal.
Vertellen elkander
Het liefdesverhaal.

 

Uw kijkertjes richten
Zich dikwijls naar mij.
Als levende dichten.
Zo blij, zo blij!
Ze trekken de mijnen
Betoverend aan;
Wat zachtjes ze schijnen
Is licht te verstaan ;
’t Is smachten en smeken,
Een hemels verhaal.
Die ogekens spreken
De hartekenstaal.

postkaart verstuurd 1914

DIE OOGEKENSTAAL. Eugeen Pittevils

DIE OOGEKENSTAAL.
Eugeen Pittevils

De sterrekens pinken
Des avonds zoo klaar.
De sterrekens winken
Naar waar? Naar waar:
Der bloemekens kroontjes
Ze blijven niet dicht:
Wie houden die schoontjes
Hun kelkjes gericht?
Ze spreken zoo schrander
Hun oogekenstaal.
Vertellen elkander
Het liefdeverbaal.

Uw kijkertjes richten
Zich dikwijls naar mij.
Als levende dichten.
Zoo blij, zoo blij!
Ze trekken de mijnen
Betoverend aan;
Wat zachtjes ze schijnen
Is licht te verstaan ;
’t Is smachten en smeken,
Een hemels verhaal.
Die oogekens spreken
De hartekenstaal.

Nieuwjaarskaart vertuurd 1913

 

DIE MIST… Eugeen Pittevils

DIE MIST…
Eugeen Pittevils

Een dichte kille winternevel
Besluiert heel de doodse streek,
En doezelt mens en boom en gevel
Tot veege-vage schimmenreek.
Geen uitgebeiteld krachtge vormen,
’t Is alles uitgewaterd-grijs,
De zonne bleek-mat als bij stormen
Begluurt het tranend dakgootijs

En als die dichte winternevel
De stad in grauwe onwisheid hult,
Zo houdt een hevig mistgehevel,
De twijfel, gans mijn hart vervuld
O twijfel met het pijnend wachten,
Wreed knagen van ’t niet zeker zijn.
Wist Gij de pijnen die ’t hart bevrachten.
Gij hieft het floers van ’t herte mijn.

Kaartje verstuurd rond 1912

Mijn liefje lijkt een kwezelken Eugeen Pittevils

Mijn liefje lijkt een kwezelken
Eugeen Pittevils

Mijn liefje lijkt een kwezelken
In al heur gaan en staan.
In mij roert ieder vezelken
Zie ik haar even aan.

Mijn liefje lijkt een kwezelken
(Nu volgt er wis gegrom)
Op school is zij een ezelken
Zo kinds nog en zo dom.

Mijn liefje lijkt een kwezelken
Ze volgt steeds hare baan.
Ze trilt gelijk een wezelken
Maar lonkt terzij u aan.

Mijn liefje lijkt een kwezelken
In al heur gaan en staan,
En mij roert ieder vezelken
Zie ik haar even aan.

Postkaart verstuurd 1912