Tagarchief: Alice Nahon

DEEMSTERING ALICE NAHON.

DEEMSTERING

ALICE NAHON.
Aan Frederik.
Het deemstert ginder buiten ;
— Een goedheid zonder naam –
Ik tuur door regen-ruiten
En vouw m’n banden saam
0 ! ‘k droom en bid en luister
Bij deemstering zo graag ;
M’n kamerken wordt duister,
De vormen worden vaag…
Het deemstert in m’n ogen ;
Ik voel ze minder klaar,
Héél zacht bewaasd, bewogen
Alsof een traan er waar.
Toch welt door wee en grieve
Een woordeloze bee ;
Een woord voor u, m’n lieve,
Ginds in de dode stée.
M’n hoofdje hangt gebogen,
M’n woningsken wordt zwart ;
Het deemstert in m’n ogen…
Het deemstert in m’n hart…
Tessenderloo.

nieuwjaarskaartje verstuurd 1910 frgr5 glas 7468

Advertenties

MIJN KAMERKEN. ALICE NAHON

MIJN KAMERKEN
ALICE NAHON

Aan Zuster Jacobs.
O, Blank gekalkte kamerkijn,
Met blauw gebloemden boord,
Geheiligd door m’n zielepijn,
Och, zeg me, of ge ’t hoort ;
Wanneer ik ’s avonds, heel alleen,
Om vroegere dagen zachtjes ween.
Zeg, weet ge m’n wanhopig zijn.
M’n kale, blanke kamerkijn ?
Als ‘k ’s avonds bij m’n lichteken
Van stille liefde zing,
In liedjen of gedichteken,
Voor verren lieveling,
Dan is ’t of ‘k hoon en spotgelach
Op alle vier uw muren zag;
Dan ween ik als een kindelijn
In. ’t stille, blanke kamerkijn.
O Leer me, woningsken der hei,
berusten, wijl ge rooft
Die bloeiende idealendrei
Uit ’t lievend kinderhoofd;
En spot niet wijl ‘k m’n liedjes neur,
En droomerig om m’n lieveling treur,
Heb meelij… blanke kamerkijn,
Ik kan niet zonder liefde zijn.

nieuwjaarskaartje verstuurd  1909 frrd10 cccc 153

Aan ’t verre dorpken . Alice Nahon

Aan ’t verre dorpken .

Alice Nahon

Waar de hei te bloeien staat.
Speelde ‘k eens als kind;
‘k Lachte en ‘k zong er, vroeg en last,
Stoeiend met den wind.
Och, ‘k en wist geen leed, geen zucht,
‘k Vlocht maar erica’s;
boven mij was blauw de lucht
Als lobelia’s.
Waar de hei te bloeien staat,
Knielde ik, liev’ling mijn,
‘S Avonds, in m’n nachtgewaad
Voor m’n beddekijn;
‘k Bad dat gij me lieven mocht,
Jongen van m’n ziel,
Want mijn ziele d’uwe zocht
Wijl den avond viel.
Waar de hei te bloeien staat,
‘k Wist geen worden toen,
Bloeide, op m’n jong gelaat.
Heil’gen liefdezoen ;
Zachtjes over ’t dorpenkijn
Zong wat avondwind :
Gauw zult g’uit z’n harte zijn
Blond idylle kind. »

Waar de hei te bloeien staat.
Slapen liefd’en wee;
’t Lied dat door de bloemkens gaat,
Zingt m’n ziele mee;
’t Leven lokt en roept en lacht :
<< Kom, mijn weg is breed >>;
Heidebloemkens zingen zacht :
<< Kind.. , vergeet . . vergeet…>>

Kaart verstuurd 1905 (toen was het verplicht in Frankrijk om postzegel op voorzijde te plaatsen)

DE KINDEREN VAN DE SOETEWEY Alice Nahon

DE KINDEREN VAN DE SOETEWEY
Alice Nahon

Aan Willem GIJSSELS
I
Ze trekken ter schole, een half uurken voor acht;
Het dorpje ligt ver van ’t gehucht.
Om ’t even of liefelijk ’t zonneken lacht
Voor wind noch voor regen beducht
Met blauw baeien rokskens.
De blinkende blokskens
Van ’s Zaterdaags vers gevernist.
Zo trekken ze zwijgend,
De hoofdekens nijgend,
Door regen, door sneeuw of door mist,
Dan. spreken die boeren gespeelkens geen woord.
De groteren trekken de kleineren voort.
Klikkerdeklakker zo kloeferen de rijen
Op blokskens voorbij langs de grauwe kasseien
II
Op grootmoeders’ neusdoek, met een kopspeld gehecht,
Met kleurige bloemen bestikt.
De strogele haren heel stevig gevlecht.
Met vuurrode lintjes gestrikt.
Bol-rode gezichtjes
En ogen als lichtjes
De handekens fris en gezond.
Hoe lief en hoe gekjes,
Die boerene bekjes
Met bruin koffierandekens rond.
Zo stappen ze fiere, als waren ze rijk,
Hun neusdoek sleept met z’n tippen in ’t slijk.
Klikkedeklakker zo kloeferen de rijen
Op blokskens voorbij langs de grauwe kasseien_
III
Des Zomers ’s namiddags, gaan de jongens voorop.
Ze. knabbelen een raap of een pee,
De meiskens die leren hun lessen luidop.
De kleintjes die zeggen ze mee.
Soms doen ze hun blokjes
En licht-grijzen sokjes
Aan ’t Brem kapelleken » uit.
Dan klinkt langs de wegen
Het joelen u tegen
En ’t plif-pleffend voetjes-geluid.
Maar zien z’in het deurgat hun moederke staan-
Gauw schieten ze sokjes en blokjes weer aan
Klikkerdeklakker zo kloeferen de rijen
Op blokskens voorbij langs de grauwe kasseien.

nieuwjaarskaart verstuurd 1909

WEEMOED Alice Nahon

WEEMOED
Alice Nahon
Aan Maria de Lannoy.

Uit de bloemen en de bomen
Stijgt een onbepaalde klacht,
‘S Avonds als ik zit te droomen
En gedwee mijn weemoed wacht.
En uit alle de gewesten
Rijst een zang van droefenis,
Omdat ginds, in ’t roode westen;
’t Zonnelicht aan ’t sterven is.

‘k Zit naar ’t sparrebos te staren,
Waar die stralen stervend zijn;
‘k Wou zoo geern wat glans vergaren,
Voor mijn droevig zielekijn.
Maar ze daalt reeds in de bomen
En ‘heur stralen houdt ze bij;
Z’heeft m’n blijheid meegenomen
En wat weemoed liet ze mij

Stil, o stille… ‘k voel ze komen.
Milde weemoedsmelodij,
Zachte, wondre weeldestroomen
Brengen mij gedichtjes bij.
Stil, o stille… ‘k hoor d’akkoorden
Klagen door de schemeiing,
‘k Voel geen tranen, ‘k weet geen ‘woorden
‘k Vind alleen herinnering.

Dank, o zon dat gij mij zangen,
Als g’in ’t leven slapen gaat,
Voor dees’ grauwe gasthuisgangen
Mild en goed behouden laat_
Dank o weemoed ! dat gij dromen
Zendt door mijne droefenis,
Wijl dees’ donkere (lagen komen,
Wijl mijn zon gestorven is (I).
Tessenderloo.

Deze beide jonge Antwerpse dichteressen, Maria de Lannoy en Alice Nahon. verblijven thans te Tessenderlo in de Kempen voor een gezondheidskuur.

kaartje verstuurd 1907

Mijn Poëzie Alice Nahon

k

MIJN POËZIE
0! snaren van mijn jonge ziel,
Ik voelde uw trillen zacht
Wijl ’t woordjen op ti nederviel
Dat door mijn tranen lacht.

O! zacht en zangerige woord,
Waarin ik peerlen vind,
Hebt gij m’n blijheid niet gehoord.
De blijheid van een kind?

O Gij! die mijn gedachtjes kust
En neemt mijn droefenis,
’t Is of mijn innerlijke rust
Door U beveiligd is.

O lieflijkheid! O, zanggetril,
Verwarm het harte mijn.
Het arme, kleine hart en wil
Mijn eeuwge rijkdom zijn.

serie  le bois de meudon 1 ontbreekt er

AVONDLIEDEKE. Alice Nahon

AVONDLIEDEKE.

Alice Nahon

’t Is goed in ’t eigen hert te kijken
Nog even vóór het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan;
Of Ik geen ogen heb doen schreien,
Geen weemoed op een wezen lei;
Of Ik aan liefdeloze mensen
Een woordeke van liefde zei.
En vind ik, in het huis mijns herten,
Dat Ik één droefenis genas,
Dat Ik mijn armen heb gewonden
Rondom eén hoofd, dat eenzaam was…;
Dan voel Ik, op mijn jonge lippen,
Die goedheid lijk een avondzoen.,.
’t Is goed in ’t eigen hert te kijken
En zóó z’n ogen toe te doen,

een Duits ontwerp nieuwjaarskaartje zonder datum  msib 2510 weihn 2519 neuj

NAHON, ALICE Geboren te Antwerpen den 16 Augustus 1896.
Verzen Vondelingskens (1920, 8 dr.); Op zachte Vooizëkens
(1921, 6 dr.).

Alice Nahon was een Antwerpse dichteres. In Vlaanderen is Nahon wellicht het meest bekend van de versregels van haar Avondliedeke III: Haar vader was Nederlander en haar moeder, Julia Gijsemans, was afkomstig van Putte bij Mechelen. Wikipedia
Geboren: 23 augustus 1896, België
Overleden: 21 mei 1933, Antwerpen