Na de voordracht „ Karel Mestdagh ” Aan heer j. Van den Eynde

Na de voordracht „ Karel Mestdagh ”
Aan heer J. Van den Eynde
N Glibert denk ik is de dichter? Zou nestor kunnen zijn geboren in 1898 in Nazareth

Uw liederen ruisen nog zo zangerig in mijn oren,
Als kwamen zij met engelenwieken opgeweld.
Zij spreken mij van Vlaamse liefde en ’t Vlaamse veld
waar boven eigen Vlaamse zon staat te gloren.

Soms bruisen zij eenparig met de woeste Schelde,
Soms zoet en teder als het Leie geklots bekoren
Ze ’t hart. o laat me nog die Vlaamse akkoorden horen,
Waarbij mijn harte van genot en fierheid smelt.

Mijn Vlaanderen lief, voor immer waande men u dood
En slechts in uw verleden bewonderenswaardig groot !
Edoch ’t was slapen maar, want eindelijk zijt ge ontwaakt.

En waardig uwer fiere grootheid van weleer,
Zo zingt mijn harte dat van liefde voor u blaakt :
“Nog vrij en blij ons volk ter eer ! Vlaanderen is weer “

postkaart verstuurd 1913

Advertenties

AAN MOEDER N GLIBERT

l

AAN MOEDER
N GLIBERT
Wanneer ik eenzaam treur, bij ’t open vensterraam,
Hoe lieflijk komt uw beeld, terwijl de dag verkwijnt.
Me kozen, nu dat ’t grievend wee mijne herte schrijnt
En scheurt en ik naar troost voor mijne droefheen aam

Niet waar, ge hoort mijn stem vol smart ? Niet waar, ge voelt
Hoe, van uw liefdezon beroofd, ik kwijnen moet ?
Ge ziet hoe wreed uw vroeg verscheiden lijden doet
Mijn kreunend hart, waar drang naar moederliefde in woelt?

Ge fluistert mij « heb moed » zoo teder lief, zofijn
‘k Voel weer uw streelend hand dan lijk ge ’t placht te doen
Wen ‘k nog heel kleine was, en vrèe dauwt met uw zoen,
Beglinsterd met het goud van zwakken sterreschijn

postkaart verstuurd 1913

APRILSTEMMING P LTelders

APRILSTEMMING
P Telders

Door de blauwe luchten vluchten
vlugge windjes heen en weer.
ik voel ze door de bomen
langs de takken op en neer:

Deze gaan nu lijze rijzen
hoog omhoog met ’t windje mee
dan weer zonder dralen dalen,
altijd lijdzaam en gedwee.

Geren zie ‘k hoe zonnewonne
neerdaalt over ’t boomenveld,
weldra zullen blaren varen
uit hun takken, ongeteld.

Dan zal ‘k mij verheugen meugen
in der Lente toverprach ti
daar waar zonbeladen paden’
gaan langs klare watergracht

postkaart verzonden rond 1912

LICHTDAG Johan Kemp

LICHTDAG
Johan Kemp

Van licht en zoelte
is vol de dag;
de zonne minzaam
in glimmelach.
De hemel open
— een blauwe zee
in groene weiden
het grazend vee.
Het gele koren
zacht-ruisend zwelt.
goud-glanzend nevens
het knollenveld.
En in de luchte
geur van gebloint’:
schauw onder hoornen:
een torre bromt.

nieuwjaarskaartje verstuurd 1912

IK HOOR ZOO GRAAG Johan Kemp

IK HOOR ZOO GRAAG
Johan Kemp

Ik hoor zoo graag uit hogen toren
De klokken slaan,
In veld en wei en woud verloren,
Op stille paan.
Ze kunnen toch zoo lijze zingen,
Zo juichend ook,
Vol tedere droom-herinneringen
Waar ’t hert in dook.
En wanneer de aarde ligt te dromen
In nachtevree,
Dan spreekt de klokke door de hoornen
Van ’t mensenwee
En alle plantjes ziet men rillen
Vol medelij,
En zachtjes, — om der klokken wille,
Dan bidden zij.

Postkaart verstuurd rond 1912

DIE MIST… Eugeen Pittevils

DIE MIST…
Eugeen Pittevils

Een dichte kille winternevel
Besluiert heel de doodse streek,
En doezelt mens en boom en gevel
Tot veege-vage schimmenreek.
Geen uitgebeiteld krachtge vormen,
’t Is alles uitgewaterd-grijs,
De zonne bleek-mat als bij stormen
Begluurt het tranend dakgootijs

En als die dichte winternevel
De stad in grauwe onwisheid hult,
Zo houdt een hevig mistgehevel,
De twijfel, gans mijn hart vervuld
O twijfel met het pijnend wachten,
Wreed knagen van ’t niet zeker zijn.
Wist Gij de pijnen die ’t hart bevrachten.
Gij hieft het floers van ’t herte mijn.

Kaartje verstuurd rond 1912

Mijn liefje lijkt een kwezelken Eugeen Pittevils

Mijn liefje lijkt een kwezelken
Eugeen Pittevils

Mijn liefje lijkt een kwezelken
In al heur gaan en staan.
In mij roert ieder vezelken
Zie ik haar even aan.

Mijn liefje lijkt een kwezelken
(Nu volgt er wis gegrom)
Op school is zij een ezelken
Zo kinds nog en zo dom.

Mijn liefje lijkt een kwezelken
Ze volgt steeds hare baan.
Ze trilt gelijk een wezelken
Maar lonkt terzij u aan.

Mijn liefje lijkt een kwezelken
In al heur gaan en staan,
En mij roert ieder vezelken
Zie ik haar even aan.

Postkaart verstuurd 1912