Categorie archief: Geen categorie

JANTJE SCHREIT EN JANTJE LACHT. S. BOUMAN-VAN TERTHOLEN.

JANTJE SCHREIT EN JANTJE LACHT.

S. BOUMAN-VAN TERTHOLEN.
Waarom schreit klein Jantje?
Jantje krijt een tandje.
Maar het doet zoo vreeslijk zeer;
’t Arme Jantje slaapt niet meer,
Arm Jantje!
Waarom lacht klein Jantje?
Jantje hêeft een tandje.
Nu wordt Jantje een kleine man,
Die al koekjes bijten kan.
Blij Jantje!
(Uit S. Abramsz: ,,Onze kinderversjes van vroeger en nu”, I.)

BROER LEERT LOPEN.

S. BOUMAN-VAN TERTHOLEN.
Nu leert mijn broertje loopen;
Hij kan al stevig staan!
Eerst heeft hij maar gekropen,
Nu moet hij leeen gaan.
Daar komt hij aan, de kleine guit…
Maar Moeder spreidt .haar armen uit.
Opeens doet hij een pas of vier
En kraait dan van plezier.
Nu kan mijn broertje lopen;
Hij is zoo blij, zo blij
Nu gaan we koekjes kopen
En mag hij mee met mij.
Zijn mooiste schoentjes krijgt hij aan, –
Och, och, wat zal dat aardig staan!
En morgen gaan we een wandeling doen
Naar buiten in ’t plantsoen.

Uit: ,,Waar kleine kinderen gaarne van zingen

nieuwjaarskaartje verstuurd rond 1916

Advertenties

Poezie voor Kinderen Hendrik van Tichelen

VERTELSELRIJMPJES deel 2

In Den Haag daar woont een graaf
En zijn zoon heet Jantje;
Als ge vraagt : waar woont uw Pa?
Wijst hij met zijn handje,
Met zijn vinger en zijn duim;
Op zijn hoed draagt hij een pluim,
Aan zijn arm een mandje.
O, wat aardig Jantje!
f.
Hansje Pek
Zat op het hek.
Toen kwam zijn grootje,
Die gaf hem een broodje;
Toen kwam zijn zusje,
Die gaf hem een kusje;
Toen kwam zijn vriendje,
Die gaf hem een lintje;
Toen kwam de pastoor,
Die gaf hem een klap om zijn oor.
g.
Klompertje en zijn wijfje,
Die gingen vroeg opstaan,
Om met hun boter en eitjes
Al naar de markt te gaan.
Ze waren halverwege,
Halverwege den dijk,
Toen braken al hun eitjes
En ’t botertje viel in ’t slijk.
Het speet ‘r niet om ‘r eitjes,
Maar om de mooie doek,
Die ze gisteren pas gemaakt had
Van klompertje’s beste broek

kaartje verstuurd rond 1914

Opdracht Johannes Mathijssen

OPDRACHT

Johannes Mathijssen


Ik zal U thans naar verre tempel leiden.
Gij, die een Vrouwe zijt, te stelpen tracht
De wonden de de Mens zichzelf toebracht;
We zullen stil, in lange sleepgewaden, beiden

Als priesters in hun zuiver-witte dracht,
Naar verre wind -doorsuisden tempel schrijden,
Waar stemmen juichen, harpen begeleiden :
De loving van de grootse godenkracht.


We zullen medejubelen, vereren,
Die kracht die in ieder wezen troont,
Voor wij gesterkt onder de mensen keren,


Zullen we biddend knielen, gans alleen.
In wijde eenzaamheid, van liefde wenen,
Van schoonheid die in mensenliefde woont,

Nieuwjaarskaart verstuurd 1911

Ubi bene. Pastoor Huibrecht Creten

Ubi bene

Huibrecht Creten

Aan een tafel wel gezeten.
Met veel vrienden aan mijn zij,
Kan ik alle leed vergeten
Zo gelukkig en zo blij !
Ubi beni, ibi patria
Tralala.
Houdt de droge venten buiten,
Dat zij naar de weerlicht gaan;
Laat de bozen allen fluiten,
Zij die geen geluk verstaan,
Ubi bene._ enz
Goede harten, blijde zonnen,
Zonder wolken van verdriet,
Goede harten zijn de bronnen
Waar de blijdschap uit ontschiet
Ubi beni, enz. »

Nieuwjaarskaartje verstuurd 1910 frrd10 circe 4256

Passie 2 Hendrik Cayman

Passie 2
Hendrik Cayman

Het daglicht sterft in vree van rode schemerstonden
en wijlt in waasgeweemoedstinten boven ’t meer,
waar — paars en rood — het bloed vervloeit der zonnewonden
en diep de weerschijn glanst van ’t roerloos wolkenheer
De wind heeft in het wiegelend zeebed rust gevonden,
waar nog een late meeuw ronddwaalt met moede veer,
en ’t is of de avondrust voor eeuwig had gebonden
de woelige zee — zo stil zijgt de avondvrede neer.
En daar, ter landzij, waar de duinen dromend lengen,
stijgt zacht de maan, de bleke ziel van de avondvrede,
en boven ’t donkerend meer stijgt de avondsterre mede.
Een meteloos gevoel van wel en weemoed tevens
daalt me in de ziel en ik voel — o puurst genot des levens!
mijn vreeverwonnen drift haar rode passies plengen

ARME WEDUWE Elise Deringen

ARME WEDUWE

Elise Deringen
In ’t weelderig  boudoirtje
Gevoerd met blauw satijn,
Waar zacht getemperd lamplicht
Weerstraalt met amberschijn,
Zit in gepeins verzonken
Een schone bleke vrouw,
De wimpers zwaar van tranen,
Gehuld in ’t kleed van rouw.
Wat deert deze arme rijke,
Die zich in weelde baadt,
Waarom dat bitter schreien,
Dat somber, zwart gewaad?
Helaas ! de gruwzame oorlog,
Die onheil brengt en dood,
Ontrukte haar den dierbare,
Haar trouwen echtgenoot.
Hij trok zo moedig henen,
Met hoop in ’t mannenhart,
Zij bleef zo treurig achter,
In diepe zielesmart.
Hij vocht zo koen, zo dapper,
Hij was een ware held,
Maar werd door ’s vijands kogels
Ten laatste neergeveld
Omringd door pracht en schatten ,
Zit stil de jonge vrouw
In stomme wanhoop neder,
Gehuld in ’t kleed van rouw.

postkaart verstuurd 1910 frgr5 fauvette 1183

DRIELUIK, VAN MAURICE STEENHOUT.

III JEZUS

MAURICE STEENHOUT

Zij, die met ziele-lasten als belaán.
moe-torsend hunne levensscherven,
niets hopen meer dan ’t uur van sterven,
zij troffen Jezus wandelend op hun baan.

En Hij, mild, metend hunne ziele-duisternis
bij hunner ogen leedgestaar,
en met ootmoedig-gul gebaar
hen nodend aan Zijn rijken liefde-dis,

Hij bood er hun Zijn have en goed,
terwijl Hij stralend in Zijn schoonheid rees :
Daar, neem en eet, dit is mijn vlees,
daar, neem en drink. dit is mijn bloed !

En daar Hij sprak het liefdewoord
kwam hunne ziel in wijde klaarte baden,
en door hun leven rilde een hergeboorte,
als jeugdig sap door jonge lentebladen.

Hun ziele fladderde om Zijn ziele rond
en dronk aan Zijne ziele klaarte,
als vlinder, die eens rups was laag bij grond
uit reine lelie honing gaart. ‘

verstuurd rond 1910 frgr5 circe4169