Categorie archief: Geen categorie

LENTETIJD Lode Wene

LENTETIJD
Lode Wene

De wijde laan van witte berken heel
ten end’. daar rijzen ranke populieren
wier slanke toppen suizend, zingend. zwieren
een zachte zang van zoelig windgespeel..
En onder aan die hoge populieren
op groene zoden als gespreid fluweel,
bezaaid met weidebloemen blank en geel
vlei ik mij neer en kom de Lente vieren
De Lente met haar zacht gestreel en blij
gekweel van lieve vogels viert in mij
ook, blij begroet, het nieuwe jaargetij
Zoo dacht mij, maar mijn moede warrlend brein
noopt mij veeleer tot een onrustig
geheimvol bij elk nieuwe lentetijd.

Nieuwjaarskaart verstuurd 1905

Advertenties

MARIA-MAGDALENA Jef Crick

MARIA-MAGDALENA
Jef Crick

Jij dooldet eertijds zingend ter vallei
Waar ’t licht der zon op uwe lokken bloeide,
En uw bloem mooi gelaat zijn beeltnis lei
In bronne spiegel als een vlam die gloeide.
Tot Hij die hoorde uw smachtend zielgeschrei
En wist wat dorst uw groote ziel verschroeide,
Eén blik ;a wierp, één enkel woord u zei…
En heerlijk-ruisend water u doorvloeide.
Dan kwam een vredeklaarte op uw gelaat,
En bleke boetster in uw dol gewaad,
Zag men u gaan de steilten langs van ’t Lijden,
Totdat gij aan Calvarie’s hoogsten top
Reest uit uw sluiers als een heilige op,
Omstraald van glorie in ’t verschiet der tijden.

nieuwjaarspostkaart verstuurd 1925 albert 5 cent 2768

O, DWINGELANDJE MIJN ! Hendrik Van Lippeloy

O, DWINGELANDJE MIJN !
Hendrik Van Lippeloy

Gij zucht, mijn allerliefste,
en zegt : « Wat wordt ge koel!
maar gij vergist u, schatje,
en weet niet wat ik voel.

Gij zijt een dwingelandje,
bedorven door den gloed
van onze jonge liefde,
van ’t bruisend, minnend bloed

Gij smacht naar nieuwe kussen,
gij wacht op zacht gestreel
gij drukt mij vurig d’handen„
uw ogen zegt zoveel

Ach, laat me stille zitten :
ik voel zoo zalig mij
bij ’t rozig lampeschijnsel,
zo, dicht aan uwe zij.

‘k heb alles u gegeven
in ras vervlogen tijd,
mijn zinnen en mijn harte,
en ’t was mij zaligheid.

Wat kunt ge meer nog wensen,
gij, dwingelandje mijn?
Verlang ik thans wat ruste,
ik ben toch immer dijn..

nieuwjaarskaart 1925 10 CENT ALBERT THEO 3105

HEVAH Pol de Mont

VERVOLG

HEVAH

Gedicht van Pol de Mont

Naar de kerstschilderingen van Hans seliger en Cesar Klein

Met den duim van Zijn rechtervoet
raakt Hij even de Zonne,
en vonken en stralen brakend schommelt de machtige bal, en rolt
Over den uitersten rand
der Oude, Mozaïsche Wereldhelft…
Met den pink van Zijn linkervoet
doet Hij de mane
opwaarts stijgen in ’t ruim van azuur,
en — met een vlugge beweging der hand,
rukt Hij, over den ganse aardbol —
in ééns — het met starren bezaaide gordijn
van den Oudtestamentische nacht…

Plots treft de klapperende slag van twee paar vleugelen
Zijn godelijk trommelvlies… Hij bukt zich, welft
de rechte hand op ’t strakgespannen oog,
en staart en ziet, hoe — dwars den Melkweg door —
in volle vaart een Engel naderwiekt…
Geen aanzicht ziet Hij… Als een zwarte vogel,
een reuzenkondor, klieft de Hemelbode,
de handen boven ’t hoofd, als tot een steven,
te zaam opstekend, zoevend, een storm gelijk,
luchtlaag na -laag, en, — als de havik doet,
die in de snelheid van zijn vlucht, zijn nest
voorbijwiekt, om er, met een vlugge zwenking
van gans zijn lijf, loodrecht op neer te schieten,
— gonst nu de bode, in teugelloze vaart
Jahweh voorbij, draait plots met gans zijn lichaam
rond op zich zelf, en strijkt, neen, valt dan, klapperend
met voet en schoudervleugelen, pijlrecht
neer vóór den God.

En Satan, want hij was t, —
hij, humorist des Eeuwigen, geschapen
uit Niet, eens, dat de goede Jahweh,
geplaagd door kopwee, en het engelenlied,
het eeuwig, eeuwig zelfde Hallelujah
tot worgens zat, naar een uitspanning haakte, —
stond daar, het geestig hoofd vooroverbuigend ,
een puntig lachjen om den fijnen mond …
En, op een toon, die schijnbaar droef, gedempt,
den hellen glasklank toch verried der vreugd,
sprak hij het uit, zeer ras, met luttel woorden
De vrucht was rijp, Heer ! Heer, zij is genut !
Zij kennen Goed en Kwaad en ’t heil der Liefde. „

Dat was een slag. Doodsbleek zat Jahweh daar…
Geweldig fronste Hij de wenkbrauw ; siddering
op siddering doorliep Zijn machtigen romp,
en — in de wolken van Zijn zetel tastend,
zocht Hij, koortsachtig, reeds den bliksemschicht,
die ’t Mensdom treffen zou.

nieuwjaarskaartje verstuurd 1925 10 cent albert m381