Categorie archief: gedichten

BLIJHEID AW Grauls

BLIJHEID
AW Grauls
Het staag gedrup van zomerregen in de straten,
en wij getweé, vertrouwd en arm en arm bijeen
als kleine kinderen, zo simpel in hun praten
en toch zo blij, blij door den avondregen heen

Mijn weemoed ver en verder nog verleden zorgen
alleen de regen en uw blijde woordenval
en diep, onuitgesproken in ons hart verborgen
het heerlijk schoon gedacht dat liefde komen zal.

nieuwjaarskaartje verstuurd 1925 10 cent fabrique en france

 

Advertenties

April AW Grauls

April
AW Grauls
De seringestruik is aan ’t botten.
reeds schiet er een bladerken uit
De bloemekens staan in de motten
Viool- en vergeet-mij-niet-kruid.

De hemel was heel den dag helder
en ’t zonneken brandde er door.
Geen naderend wolkje onstelde er
het wordende lentegegloor.

En ‘k zit in den avond te lezen
de beelden van ’t dromerig brein
En ‘k weet niet of ‘k blijde moet wezen
en ‘k weet niet of ‘k droevig moet zijn.

nieuwjaarskaartje verstuurd 1925 10 cent colorprint 3065 (en wensen in het Nederlands

 

Mijn Vrienden Jef Claes

Mijn Vrienden
Jef Claes
O, mijn oude, goede bomen,
waar zal ik nog tegenkomen,
beter vrienden, als gij zijt
mij geweest, ten allen tijd ?

Vroeg, bij Lente, mijn verlangen,
frisse kleuren, jonge zangen;
blad en bloem en vogels bui;
kleur en klank, gij schonkt het mij.

Wou ik vluchten, zomerhitte
‘k kwam dan in uw schaduw zitten,
werkensmoede er bij noen,
ongestoord een dutje doen…

Heeft de Herfst ons overrompeld,
’t weidse zomerland. verschrompeld,
’t schoonste dat u dan nog tooit,
goud, gij, langs mijn wegen strooit

‘s Winters, zou ‘k om doden treuren,
waart ge er niet om me op te beuren ;
hieldt ge uw armen niet gestrekt
naar het Licht, dat ’t Leven wekt

O, mijn oude, goede bomen,
waar zal ik nog tegenkomen,
beter vrienden, als gij zijt
mij geweest, ten allen tijd ?
Bunsbeek december 1916

nieuwjaarskaart verstuurd 1925 10 CENT ALBERTLEO PARIS732

HEVAH Gedicht van Pol de Mont

HEVAH
Gedicht van Pol de Mont
Naar de kerstschilderingen van Hans seliger en Cesar Klein

Op wollige -wolkenkussens,
lichtblauw, met verzilverden rand,
lag, nog vermoeid van den arbeid der Schepping,
Jahweh gestrekt, in dien zaligen dommel,
die halve sluimring van zin en van geest,
die poëten bevangt,
als een meesterlijk vers hun gelukt is.

Onder zijn machtigen snor,
wit als sneeuw en wat geel aan de tippen,
lachte zijn godlijke mond,
lachte, k neesrnuilend bij ’t zalig gedenken
aan de lieve popjes,
de kleine mensjes,
die hij met de ogen zijns geestes ontwaarde,
als beweegbare, rozige vlekjes,
ginds verre beneden, — heel verre beneden,
op het lieflijke groen van het Eden.

Daar zag hij ze beiden,
man en vrouw, twee schuldloze kinderen,
spelend en dartelend,
lopend en buitelend
onder tt machtige loof van den Boom der Kennis,
Moedernaakt, twee schuldloze wichtjes,
stoeiden zij tussen de hoge gewassen,
ruikers lezend,
kroontjes vlechtend,
elkander behangend met geurige kransen ;
en boven hun lokkige hoofden
bloosde en blonk,
kervend van rijpheid,
ongezien, ongedeerd,
de gouden Appel des Wetens,
wiens pit bevatte het grote geheim
van de liefde en de vleeselijke lusten ;
en rond den stam van den heerlijken Boom,
als. een breede glimmende purperband ,
krinkelkronkelde in slangengedaante
die Geest, die, op J•ahwehs IDevel,
den Boom en zijn Appel bewaakte…

Heiisah! Daar schiet het den Oude te binnen
Is het geen tijd, op den zevenden dag
zevenden nacht te doen volgen
moet Mosche niet schrijven in Genesis 1
Er was een morgen en een avond,
” Was de zevende dag ?

De benen wijd onder Zich gestrekt,
Zit nu. de God overeind.
wordt vervolgd

nieuwjaarskaartje verstuurd 1925 05cent ALBERTKLEINDONKER 076LEO240

De Dood die maait… Jef Crick

De Dood die maait…

Jef Crick

II
Toen rees een nacht waarin met angstig, razend schallen,
Klaroenen klonken : « ’t Land is in gevaar!
Op! ter verdediging, de mannenschaar!»
De klokken klepten ’t koortsig in bun torens allen.
Een storm van nood-klank kwam de dorpen overvallen.

De morgen wies zoo goud en lachend, maar
Door al dien licht-gloor trad een treurend paar :
’t Verdriet dat hem te lijf ging deed zijn vuisten ballen

— « Heb moed, mijn lief… Als ik zal weder zijn… »
Hij ziet zoo bleek. Zijn keel schroeft toe van pijn.
De laatste kus doorsnijdt twee harten om te breken.

’t Slaat oogsttijd, doch geen zeisen blinkt op ’t veld.
Daar wordt gevochten met een wreed geweld,
En ’t is de Dood die maait . Hij viel in verre streken.

Nieuwjaarskaartje 1925 05cent ALBERTKLEINDONKER 049 239JOUNOK

De Dood die maait… Jef Crick

De Dood die maait…

Jef Crick

I
Er lag dien avond hemel-vrede op ’t land.
En’star op star ontlook bloem-stil aan wijde lucht,
En alles zweeg. — Daar lispte alleen een lijze zucht
Van bomen, keuvlend aan den waterkant

Een zaalge liefde zette hun ziel in brand
Terwijl zij gingen met nauw hoorbaar stapgerucht.
Gedempte zoenen ruisten op in dartele vlucht.
Haar vingers beefden in zijn sterke hand.

— » Eer ’t laatste zomergraan ligt afgemaaid,
Zal al ons driftig smachten zijn gepaaid.
Dan luidt de bruiloftsklok. — Dan heet ik u mijn vrouw.

Het loover zwol als van een verre klacht…
Een nachtegaal zong droevig.Starren-pracht
Sluimerde diep in ’t rimploos water, donker-blauw.

nieuwjaarskaart verstuud 1925 05cent ALBERTGROEN 154 GUY518

 

NACHTWANDEL 6 Willem Gijssels

 

NACHTWANDEL 6
Willem Gijssels

O, gij die steeds mijn uitverkoren waart,
Ik min u zeer; wij kinderen dezer aard
Vermogen niets dan niet ons bloed te minnen

Dwaallichten zijn de dromen voor den geest.
Wie op den dool in nevelen is geweest,
Verademt, eens de veilige haven binnen

Zo vlood van mij de dwaze hersenschim
Nu dat ik voel, gelijk een scherpe vlim
Uw zoen op mijne vurige lippen branden.

O, dat ik u bezien kan en geniet,
Als waart gij mij een vleesgeworden lied,
Een droom dien ‘k strelen kan met mijne handen!

Nieuwjaarskaartje verstuurd 1925 05cent ALBERTDONKER158 M 401