Categorie archief: gedichten

Lied van verlangen. Johan Devrient

Lied van verlangen

van Johan DEVRIENDT
Voor den sympathieken dichter Paul Van Ostayen.
I
Een rode glorie opgestapelde bakstenen
vuurrood in ondergaande zon,
brekend het licht, brandend van licht,
zaaiend licht langs de kaaimuren.
In ’t water weerspiegelt eentonig zacht
de schaduw,
rood
en reuzig groot
zinkt de zon- zinkt

O mijn vreugd in de vreugd van deze bakstenen.
O mijn liefde als een vrachtkar beladen er-mee.
O mijn jonge frisse liefde,
lijk fris is de kleur der stenen
gekomen van Boom —
varend tussen groene weilanden,
een rode vlek in een groen kleed,
onder den blauw-lach van koepelenden hemel.
Deze rode vlam-stenen
op het groen weide-kleed,
als op een grote vreugd
een heel stil leed !

 
O mijn liefde ! Tussen vele mensen gaan we samen
mijn Lily !
tussen vele koud- gaande mensen,
tussen vele die lachen of greinzen,
mijn Lily!
als een rode boot bakstenen-beladen gaan we.
— vlam van de mensheid —
eeuwige vlam, die heet liefde.
ik en jij
we zijn alle bei
slechts één in ’t werk der komende geslachten.
We zijn een vlam die slaat op uit d’aarde
rode liefdevlam verlangen! —
lijk deze bakstenen-glorie vlamt in het avondgoud,
mijn. Lily ;
Deze hoogrode-volle, bakstenen-glorie
kalm-koel weerspiegeld beneden de kaaimuren.
in dit stille melodieuze avond-uur.

nieuwjaarskaart verstuurd 1910 frgr5 jc2330

Advertenties

DEEMSTERING ALICE NAHON.

DEEMSTERING

ALICE NAHON.
Aan Frederik.
Het deemstert ginder buiten ;
— Een goedheid zonder naam –
Ik tuur door regen-ruiten
En vouw m’n banden saam
0 ! ‘k droom en bid en luister
Bij deemstering zo graag ;
M’n kamerken wordt duister,
De vormen worden vaag…
Het deemstert in m’n ogen ;
Ik voel ze minder klaar,
Héél zacht bewaasd, bewogen
Alsof een traan er waar.
Toch welt door wee en grieve
Een woordeloze bee ;
Een woord voor u, m’n lieve,
Ginds in de dode stée.
M’n hoofdje hangt gebogen,
M’n woningsken wordt zwart ;
Het deemstert in m’n ogen…
Het deemstert in m’n hart…
Tessenderloo.

nieuwjaarskaartje verstuurd 1910 frgr5 glas 7468

Daar dwaalt een Sterre Alfons Meurisse

Daar dwaalt een Sterre
Alfons Meurisse

Daar dwaalt een sterre in den eendeliken nacht alleen
en droevig gaat zij heure stille gangen;
en droef aanschouwt zij al de dingen, die sterre daar aan den
hogen hemel in den eendeliken nacht alleen.
En stille is ’t op de eerde en donker verlatenliggen velden en straten
doos staan de huizen en de bossen.
Plots scheurt een bang gedruis de stilte – .
Het moordend schroot heeft weer zijn taak volbracht.
Beersel (Loth).

Verstuurd rond 1910

LENTE Juul Bovee

LENTE

Juul Bovee
Dat al de wouden en de bergen zwijgen
nu zoete woorden gaan van Lente’s lippen zijgen :
Ik woon ter rijke tent van gouden zonneschijn,
mijn kleed is van azuur, mijn ogen als de zee.
Mijn hart is als een harp,
die hangt ter wijde wereldplein,
en zingt en weent met alles wat de wind
mij brengt op wakkere vogelwiek.
Zo heeft hij mij gemeld van Aarde’s stille lijden,
hoe altijd tranen drupten van zijn ogen neer,
hoe dat zijn wangen bleek en weg-gestorven waren,
lijk of hij treurend was
om iets dat nooit meer komen zou.
Dan heb ik m’in den nacht
met nevelkleed omkleed en zacht
geweend met d’armen lijdensman.
En als de morgen-wachter
bazuinde door de lucht
en heel de klare hemel hing
vol kleurig zongesching,
dan heb ik mij met ’t blauwe kleed omhangen,
mijn tranen en mijn zucht
geborgen in een lach en stille zangen,
en heen getrokken naar de treurend Aarde.
Met liefde-woorden heb ik hem een kroon gevlochten,
dauw-zachte rozen op zijn wang gelegd,
ter huizing van zijn hart gevoerd
mijn rijkste vreugd en liefdeschatten,
tot hij mij wijd zijn blanke armen spreidde,
en ik hem juichend aan mijn harte drukte.
Heel lang heb ik de zaligheid gedronken van
zijn lippen, en zijn zoenen waren
Als rijpe druiven die mijn lippen -persten.
Toen hebben al de bommen mantels aangedaan
van ’t zuiverst groen met wilt’ en roze kant bekleed
en zijn als prinsen fier ter bruiloft heengegaan.
De vogeltjes die goten volle schalen.
van klare zangen uit.
Het bloemenvolk dat zong koralen,
geleerd van maan en sterren in den nacht,
en zwierde wierookvaatjes.
De lucht blonk van den glans
der gouden bruiloftgiften,
en in de verre weien
ging ’t heffen en het halen
van ’s herders zanggalmeien,
die speelden blij en luid
een juichend minnelied.
Maart 1918.

Postkaart verstuurd 1910 frgr5 eld113

VISIOEN Piet Aelander

f

VISIOEN
Piet Aelander
Ik zag u, moedernaakt, voor mijne blikken dansen
Te midden van een wei, waarop de vreemde schijn
Der vreemdgetinte maan, van uit der hemel transen,
Een lichte lage wierp van kobalt met karmijn.

Ge draaide door het gras in wijde, brede kringen
En zwaaide boven ’t hoofd, schier dronken van geluk,
Mijn arm, doorstoken hart waaruit, bij ’t minste wringen,
Het bloed te voorschijn barstte en droop bij elke druk.

Ge draaide immer voort en ’t vocht begon te vloeien,
Eerst over neus en wang, dan over hals en borst
En, buik en benen langs, ik zag de strepen groeien
Totdat geheel uw lijf met vlekken was bemorst.

Ge draaide immer voort. uitzinnig opgetogen
En stampte ’t harte stuk, als ’t leeggesijpeld was….
Ge draaide immer voort, afschuwelijk voor mijne ogen,
Afschuwelijk, rood van ’t bloed in ’t roodgeverfde gras!

WIJSHEID UIT DE WINTERMAANDEN KAREL LEROUX.

WIJSHEID UIT DE WINTERMAANDEN

KAREL LEROUX.

December, die de laatste zijt der maanden van het jaar,
‘k raad om uw toeèn mond den ernst van vele dagen
en in uw vroeden schoot weet ‘k u de zaaite dragen
uit den verganen Herfst ten Zomer van ’t nieuw jaar.

Gij wringt uw armen niet in nutteloos misbaar,
maar sluit gedwee uw rustige oogen voor de winden,
en mag een zerpen traan uw blikken soms verblinden,
en rilt uw mager lijf, en wordt uw adem zwaar,

Ik voel : uw zwijgen is geen triestigheid die kwijnt,
al schijnen in uw schoot uw handen moe van treuren;
gij zaagt de ijdelheid van ’t dagelijks gebeuren
en hoe vergeefs de zon soms op ons wezen schijnt.

Nieuwjaarskaartje verstuurd rond 1900

WIJSHEID UIT DE WINTERMAANDEN KAREL LEROUX.

WIJSHEID UIT DE WINTERMAANDEN
KAREL LEROUX.

Hier, waar de nood van geen verlangen mij genaakt,
bij ’t prevelen der dagen en het zwijgen van de nachten,
het ongestoorde redeneren der gedachten
en de berusting in mijn hart…, dat toch nog waakt,

onzeker soms bij avondval en dageraad !
Hier, waar ik in mijzelf gekeerd het slaan kan voelen
van iedere ader en de kracht van elk bedoelen
moet zuiver zijn, waarop ik mij voortaan verlaat ..,

hier zit ik, woordloos wijs, van leed en lust bevrijd,
gelaten in den spiegel van mijn ziel te staren,
aanschijn aan aanschijn met mijzelve ’t openbaren
te wachten van ’t vizioen dat mij door het leven leidt.

kaartje verstuurd rond 1910 frgr5 circe5020