Categorie archief: gedichten

3 VERZEN VAN LIEFDE EN LEED WILLEM DE BOM

 

3 VERZEN VAN LIEFDE EN LEED
WILLEM DE BOM
I
Waar ik ook moge zijn of gaan,
waarheen ik mijne blikken richt*
ik zie Haar beeltnis vóór me staan,
Haar ogen en Haar aangezicht.
Ik volg haar mee in wat ze doet
in dromen, denken, voelen, lijden
en, in gedachten, schenk ik moed
en troost, gezeten aan Haar zijde.
Mijn blikken storten in de Hare
een tere streling voor Haar wee,
alsof het zoete zalving ware,
die onrust wendt tot stillen vrée.
Als trouw, mijn hand de Hare klemt,
brengt zij het warme stralen over
mijns harten , dat haar vredig stemt
en opknapt zoals lentetover.

II
Willem De Bom
Leg vrij op mijne borst uw lief en lijdend hoofdje,
ontlast in mijne ziel uw wreed gemarteld hart,
druk zacht in trouwe handen uw handjes bleek en teder.
en laat mij van uw lippen drinken uw bittre smart…

Uw wonderzoete stem klinkt mij als lenteklokjes
die, hoopvol, openluiden een leven nieuw en jong
’t is thans of in mijn herfsttuin smartenevels weken
en daar, in warme zon, een lentevogel zong 1. .

III
Willem de Bom

Mijn ziel de haven is, waar geene stormen woeden,
waar vredige kalmte heerst, ondanks het krljgsgeweld.
O wrak der levenszee, drijf vrij die haven binnen
gij vindt daar stille rust, daar zijt gij dra hersteld…

Mijn ziel gelijkt nu weer een rare donderroede
die trekt beslist tot zich het vuur van diepe smart
om langzaam-aan een levensvreugdig licht te wekken
in ’t jong en lijdend brein, in ’t fel geschokte hart…

Mijn ziel is thans een tuin waar geurge bloemen bloei
waar rood en groen en blauw in gouden glansen staan,
waar blijde vogels ks.veelen van nieuwe levensvreugden ,
waar schone dromen kiemen en …..in den niet vergaan –

Nieuwjaarskaart zonder datum verstuurd rond 1925

 

Advertenties

MATER DOLOROSA Jef Crick

MATER DOLOROSA
Jef Crick

Komt allen die moest eten van het lijdensbrood
Dat, ach, zoo kwistig wordt voor ’t menschenhart getroken ;
Komt, kranken, die van ’t morgenlicht naar ’t avondrood
Sleurdet door eiken dag uw smart onafgebroken,

Terwijl des ’s nachts de slaap van uwe peluw vlood ;
Komt, blinden, die verwoed de vuist hebt opgestoken
In haat en opstand naar den diepen vreden-schoot
Der avondlucht, waar bloei van starren hing ontloken;

Komt allen die getergd door ’t roodsel van het leed,
De handen niet meer vouwen kunt, komt broeders, knielen ;
En schouwt ten heuveltop waar ’t uitgebloede lijk

Van Jezus ligt aan ’t hart der Moeder. dat zo wreed
Met zwaarden staat doorboord, en schreeuwt tot alle zielen :
O zegt, was er ooit smart aan mijne smart gelijk ?

Nieuwjaarskaartje verstuurd 1925

 

Passiesonnetten Pilatus Jef Crick

Passiesonnetten Jef Crick

PILATUS
O droeve weifelaar, die diep bewogen
Door vrees en deernis vóór den Wijze stond,
Wiens rustig-open blauwe weemoedsoogen,
Peilden zoo klaar uws harten duisteren grond ;

O wankele rechter die niets schuldig vond.
In dezen Zachte, wiil nooit klank van logen
Trilde in zijn eerlijk woord, dat t’allen stond
Eén zang van liefde was en mededogen

O laffe landvoogd die met groots gebaar
Boven de vreugd-rumoering van de schaar,
Hooghartig wast uw blanke beulenhanden :

Pilatus hef de handen naar het licht,
En zie met wroeging op het aangezicht,
liet bloed der Godsmoord aan uw vingers branden

Nieuwjaarskaartje verstuurd 1925 albert 5 cent bleuet 367

DE LEEUW, DE HAAN EN DE EZEL, Joost van den Vondel

Vondels fabelen  Joost van den Vondel

DE LEEUW, DE HAAN EN DE EZEL
De hoog verheven leeuw, vermoeid van ’t stadig jagen
Vond enen ezel staan, verloomd door ’t zakkendragen,
Daarbij een Lombaardse haan. die door zijn luid gekraai
Den trotsen leeuw verschrikt, dat hij met eenen draai
Zich op der vlucht begeeft. Den ezel. overmoedig.
Waant dat de leeuw bedeesd wordt door zijn felheid woedig,
Hem op zijn hielen volgt met een gezwinden loop,
En te onbedachtelijk brengt hij zijn vlees te koop.
De leeuw in ’t zwenken ziet den tragen ezel volgen,
Scheurt hem ter aarde straks met een gemoed verbolgen,
En zegt : dit is voor mij, voor ’t welgeboren bloed
En ’t eedle koningsherte, een doren in mijn voet,
Dat ik voor iemand wijk, Dit is, o slechte broeder 1
Dijn uiterste banket. O aller hazen moeder!
Volg waanwijs niet den raad, om als dijn Prince vliet,
» Hem smaad en spot te doen, om voeden zijn verdriet :
» Of U schoon ’t Avontuur toont gunstig hare tuiten,
» Zij draait te schielijk ’t hooft, en steekt  in de kluiten.
» Verstonden zij te recht den korrel van de zaak,»
Dat onbedachtheid is ’t verderf der dwazen vaak,
» Zij zouden welbezind op beter kansen letten,
Den ezel zou den leeuw niet naar zijne ere zetten

nieuwjaarskaart verstuurd 1925 25CENT LUXEMBURG BLEUET 373

Vondels fabelen Joost van den Vondel

de Aap en de kat

Joost van den Vondel

De sim, om ’t huisgezin afwezig te verrassen,
En snoepen de gebraán kastanjen uit der assen.
Nam ’s katten linkerpoot, hoezeer zij was vervaard,
En krabde de gebraán kastanjen uit den haard.
De poes heeft lui gemauwd als zij haar klauw verbrade,
En riep, houd op, houd stil, mijn linkerpoot lijdt schade :
Mijn vlees is niet meer staal en ijzer als het dijn ;
Wat tirannij is dit, ik lijde groote pijn.
Maar onze moeder sim niet afliet van verzengen,
Vóór ze had de kolk ontbloot van gloeiende karsten gen,
Belachende de kat in ’t midden van ’t verdriet,
En riep : Hoe schreeuwt gij dus, uw pijne voel ik niet.
« Een koning die zijn rijk en palen wil vergrooten
» Gebruikt zijn eigen volk en kloeke rijksgenoten ;
» Hij houdt zich uit ’t gevaar, en haalt als met haar hand,
» Al ’t geen zijn herte wenst uit ’s oorlogs fellen brand.

Kaartje verstuurd 1925 15cent ALBERT 5MAAL2 EN VIJFkleur 153 O 2780

VONDELS FABELEN JOOST VAN DEN VONDEL

VONDELS FABELEN JOOST VAN DEN VONDEL

De Slang en de Egel

Den egel bad de slang met zuchten en met stenen,
Dat ze hem toch herberg wou voor enen winter lenen.
De slingerslang beweegt door ’s egels droeve beed,
Om zijn waardin te zijn was willig en bereed,
Maar als in ’t eng des hols den egel dik gezwollen.
Zich krunkelde in een kloot, in cirkelen en rollen,
De slang misnoegen kreeg, omdat hij somtijds stijf
Met scherpe borstels vast haar prikkelde in ’t lijf.
Wel, sprak de slang, is dit het loon voor al mijn deugde ?
Dat ik u in mijn hol ontving met lust en vreugde ?
Neen, zeide d’egel, zwijg, gij vuil, twistgierig dier.
Ben ik u in den weg, zoo pakt u fluks van hier.
De slange bad vergeefs om rust en wat verschoning,
Dus om ’t geborsteld dier t’ ontgaan verliet haar woning.
« D’ondankbaar mensen, die geholpen zijn in nood,
« Vergeten weldaad licht, al is zij nog zo groot .
« Als zij geholpen zijn, beschaden zij dengenen,
« Diens mildheid over hen heeft rijkelijk geschenen.

Nieuwjaarskaartje 1925 15 CENT ALBERT ROTO 5993

VONDELS FABELEN JOOST VAN DEN VONDEL

Vondels fabelen  Joost van den Vondel

De Wolf en ’t Geitken •
De langgebaarde geit om voedsel gaande uit dolen,
Eerst ’t geitken heeft belast te blijven weggescholen
In ’t diepste van de kooi, die zij met grendels sloot,
En geenszins oop’ te doen haar jongsken streng gebood
De Wolf, die bij geval daar lag omtrent geslopen,
Kwam als de geit vertrok fluks aan de kooi gelopen.
En klopte zoetlijk aan, en riep tot zijn gewin,
Op, op, mijn geitken, op, en laat uw moeder in.
Neen, zegt de jonge geit, ik luister naar geen spreken,
Tenzij mij iemand brengt de leus en ’t rechte teken.
Doet op, mijn kind, doet op, houdt Wolfaard stadig aan,
De leuze mijn gedachte en hers’nen is ontgaan :
Zo heb ik, zegt de geit, de sleutels ook vergeten ;
Dus blijft vrij buitenstaan. ik zie u door de reten.
« Wie op de wetten acht die billijk zijn en goed,
« Zich vrank en veilig voor veel ongevals behoedt.
« Wie ’t oor der oudren tucht leent vlijtig naar vermogen,
« Niet licht van iemand wordt verleid, noch ook bedrogen