Categorie archief: gedichten

Hoe dat toch gaat !… Remy De Roeck

Hoe dat toch gaat !…
Remy De Roeck

’t Was eerst een lonk en dan een lach,
En korts nadien een « goeden dag »;
Des andrendaags ‘nen tijd gepraat
En dan de hand .. Hoe dat toch gaat !
En dan… Maar och, ge weet het wel,
’t Is immers altijd ’t zelfde spel :
Gelach, gelonk, gepraat, gezoen,
Lijk al de jonge vrijers doen

Nieuwjaarskaartje verstuurd 1921

Advertenties

Doden-ering Remy De Roeck

Doden-ering
Remy De Roeck

November-maand. De bleke blaren
Verdwarlen neer in mist en moor
En liggen, zielloos, ’t allentomme
Als nietigheid heel ’t aardrijk door.
’t Is overal kalm-stil… Behalve
Een dodenklok die hier en daar
Haar doodse klanken droef laat horen
En meebidt met de Kristenschare
De lucht is grijs-gestemd tot wenen,
Zijn tranensmoor bemorst de straat…
Daar alles ingetogen staat.
Een sombere tijd… Zwaarmoedig stille
Aan dodendenkenis gewijd :
Verwanten-ering in der eeuwigheid…

nieuwjaarskaartje verstuurd 1921

 

Men zegt ……Remy De Roeck

uit BLANKE Bloesems
Remy de Roeck

Men zegt…
En te perdant je sens que je t’aimais
Alfred de Musset

Men zegt dat God volmaaktheid is,
Volmaakte Liefde, oneindig goed ;
Dat Hij de aleeuwige Waarheid is
Voor wie elkeen. zich buigen moet.

Men zegt…
Men zegt dat Hij gestorven is
Als Kristus-mens aan ’t Kruis van hout;
Als tol voor ons bedorvenis.
Een. liefdetal van zonnegoud.

Men zegt…
Men zegt dat rnens-zijn Godes is
Dat Hij ons schiep naar eigen beeld,
Waar haat en nijd verboden is
En liefde ruim werd toebedeeld.

Men zegt…
Men zegt dat Liefde ook Lijden is
Dit alles samenstroomt in ’t hart,
Dat lijden God verbeiden is ;
Hoe groter Liefde, hoe groter smart !

Men zegt…
Men zegt ! — Maar als er iets vergaat,
Dat, duurbaar, soms ons waare’loos scheen,
Dan «zegt» men niet, maar ’t hart verstaat
Hoe diep ons trof wat thans verdween!

nieuwjaarskaartje verstuurd 1921

Woorden Willem Gijsels

Woorden

Willem Gijsels

 

Woorden ‘k zou u willen temmen

Kneden als een druiventros,

‘k zou u aan mij boezem klemmen,

‘k liet mijn bloed in ’t uwe los.

 

Bruisend zoudt ge als milde wijnen

Wijl ik de ziel ontpers;

Stromen zoudt ge langs de lijnen,

Door de vezels van mijn vers.

 

Allen zoudt gij kunnen laven

aan de bronnen uwer borst;

Door uw adren zoudt gij draven

Van wie stikken van den dorst.

 

Woorden wild en ongetemde

‘k Voer u naar  ’t beloofde land.

Naar ’t oneindig onbestemde.

Laat ge u dwingen in mijn hand.

Postkaart verstuurd 1921

 

 

 

De Braamstruik Lambrecht Lambrechts

De Braamstruik
Lambrecht Lambrechts

Volheerlijk kwam de julizon elk jaar.
Nabij den slagboom van het mossig hekken.
De schouders van den wilden rozelaar.
Met een scharlaken rozenmantel dekken.

Wat sluwe woekerplanten maken daar?
’t Zijn bramen die hun machtige armen rekken
En knop en wurgen naast elkaar
Geen zomer komt den ouden djonk meer wekken

Zo mocht mijn ziek in zegenvolle dagen
Een wolk van blijde levensbloemen dragen
Mijn liedren in hun kuise levenspracht

Naar donkre rampen zijn nabij geslopen
En onmeedogend werd in hun knopen
De rozen van mijn rijke jeugd versmacht.

Postkaart verstuurd 1921

De Paardjesmolen Lambrecht Lambrechts

De Paardjesmolen
Lambrecht Lambrechts
En ’t moleken stond er zo leutig te draaien.
Wat zaten de knapen er luide te kraaien!…
Een jongetje bleef naar een rondeken snakken.
Maar woelde vergeefs met zijn hand in de zakken.

Zijn vadertje lag op den heuvel begraven ;
Nauw kon hem zijn moedertje voeden en laven ;
Geen hoop kwam het gretige kereltje paaien
En’t moleken stond er zo leutig te draaien.

Daar wenkte zijn peetje een rimpelig ventje.
Derop klonk het woord en hij gaf hem een centje.
Hoe lekkertjes gingen de paarden aan ’t draaien!
Hoe fie zat het knaapje met de armen te zwaaien.

postkaart 1921

Het Bronneken Lambrecht Lambrechts

Het Bronneken
Lambrecht Lambrechts

Ik bleef in het bos bij het bronneken staan,
Dat neurde bezijden de mossige baan.
Een meende daar gooit in een zwierigen boog
Een meisje haar kleurige ballen omhoog.

Ik heb op de lokkende bloemen gerust ;
Wat werd ik er fijn in een dutje gesust !
Een liedje bewoog in den dartelen plas,
Alsof het de stem van een orgelken was

Geen wekkerken noodde zoo vlijtig : Sta op!
Het zonneken speelde in den guitigen drop,
En lachte, totdat er in “t wiegende woud
Een bronneken laaide van borrelend goud !

kaartje verstuurd 1921