Categorie archief: gedichten

Gedroomde Wegen door Maria de Lannoy

Gedroomde Wegen
Aan Alice Nahon.
door Maria de Lannoy

Gedroomde wegen leiden naar gedroomde tuinen,
Waar wilde vogels nooit geleerde liedjes zingen,
Waar koeltjes fluisterzuchten van herinneringen
door groene heesters en door zon-beglansde kruinen.

Gedroomde wegen leiden. ook naar zilv’ren duinen.
Waar uit de wijde, wilde zee, in ’t maneschingen,
de dode liefden stijgen, die daarin vergingen,
waar marmeren paleizen rijzen uit de puinen.

Gedroomde wegen zijn bezoomd met hoge hagen
Die enkel bloeisel zijn. , maar die geen vruchten dra.gen,
waarachter heel een weeë wereld ligt verborgen ,
met et al haar levensleed en hopeloze zorgen.
Gedroomde wegen zijn vol zon als zomerdagen
Vol lichte, milde goedheid als een lentemorgen.

 

nieuwjaarskaartje verzonden 1909

 

Advertenties

Zomernacht Marcel Van Coilie

Zomernacht
Marcel Van Coilie

Nu baadt zich het \Vesten in vuurzee van helder-rood licht
Het deenr, tert in ’t veld en de nevel omfloerst het geboomt’,
Maar hoog straalt nog, zinkend, het stervende zonne-gezicht.
Blij wandelt de dichter… en droomt…
Het maantje schuift vreedzaam door ’t sterreveld goudgeel getint
De nachtegaal orgelt ; zijn zang is van liefde doorstroomd,
En ’t windje zacht lispelend speelt als een dartelend kind,
Nu luistert de dichter… en droomt…
Hoe zoet is ’t te dwalen langs velden en beemden en hei
Het sterretje lachelt in ’t beekje der weide die droomt,
De nacht wind zoent liefelijk, kust zachtjes elk bloempje der wei
De dichter zucht droevig.., en droomt._

Zijn hart is beklemd en zijn geest is van liefde vervoerd
Hij hoort weer de stemme. van haar die op d’hei de ginds woont:
Die heimvol des nacht s haren minnaar door liefdezang roert
De dichter staart wenend… en droomt
Beveren Roeselare

nieuwjaarspostkaart verstuurd rond 1913

Lente-hooggetij Th Turf

h

Lente-hooggetij
Th Turf

Als d’ oosterkim in purper pronkt,
Het goud, koraal doorweven:
De dagvorstinne glanzend lonkt;
En zaait nieuw licht en leven.
Als kreek en vliet en waterplas
’t Natuurtoneel weerspiegelen.
En slingerplant en struik en gras,
Zich in hun golfjes wiegelen.
Als riet en twijg en tak en blad
In zilveren hulsels tooien.
Op mostapijt en kruid en pad
Hun diamanten strooien :
De bloesem op het bronzend hout
Zich baadt in eêle kleuren,
En velden, tuinen, wei en woud
Vervult met balsem geuren,
Als strelend de eerste zonnestraal
Op ’t landschap neer komt zinken
En ’t vogelenheir, in zilveren taal.
Zijn lofzang doet weerklinken
En morgenklokjes, ver en bij.
Hun heldere klanken zwieren
Dan is ’t der lente hooggetij.
Dat wij ook mede vieren.

Nieuwjaarskaartje verstuurd 1913

Lentelied. G Burssens

Lentelied.
G Burssens

In. de morgenzon van de jonge Lente,
in een lentedorp, in een zonnige straat,
vangt een jongetje, dat loopt te venten
in een spiegelbrokje het lentegelaat.

En hij spat het door de glimmende vensters,
en hij kaatst het tegen een schaduwmuur,
of hij draait het met zijn zilveren gensters
in zijn oog, dat weerglanst het zonnevuur.

En het jongetje lacht, en zo lachen de mensen,
en het dorpje lacht tot in ’t diepst van zijn hart
om de harten, die niets dan leven wensen;
om de Lente, die alle dood-zijn tart.

nieuwjaarspostkaart gepubliceerd 1913

’s Avonds op den Rupeldijk August Van Den Bossche.

’s Avonds op den Rupeldijk
August Van Den Bossche.

Hel-statig zonk de zon ter rode westerpoort
Wijl goudgerande wolkjes dreven in ’t verschiet.
Het windje zuchtte zacht zijn strelend avondlied
In ’t lispelend geboomt, langsheen den Rupelboord.

Het water klotste steeds in rode rimpling voort,
Snelvlietend als een beek en bablend door het riet,
Dat op en neder zijne halmen wieglen liet,
Bij ’t zachte golfgedans, met schemerlicht omgloord.

En wijl al meer en meer elk daggerucht verklonk,
En nachtelijke rust op de aarde nederzonk.
Trof mij de doffe galm van wat ik raden kon

De stem van woest geweld, de losbranding van kracht,
Die onverpoosd herhaald bleef daavren door den nacht :
’t Was ’t ver gedonder van het brommende kanon !

Verstuurd rond 1913

De Stad P Nevings

De Stad
P Nevings
Zoals de stroomfabriek die macht uitstuwt
naar alle kanten; •
Groot mechanisme der stad.
Meer dan van natuur die groent
en levenssappen krijgt,
hou ik van stad, met me vergroeid
tot eenheid.
En krijgt ze m’in haar wielen, ze dreigt.
ze morzelt, maalt, ze spuwt
me weer uit op de grote straat
bij de mensen.
’t Schijnt of ik daar gegooid
ben, in hun Staat,
met m’n liefde.
Maar toch ben ‘k een met hun geheel,
tot werken samengevoerd
En als een goede God, zo dwaalt
De zon, van hier naar daar
in de straten van ons mechanisme..
Langs hier daalt
gevelskoelte.
En hand in hand
de zwoelte
van haar witte muren, up den overkant.
Geen groot horizon, niet wijd
niet eenzaam, altijd
sober en gelijk, als d’eeuwenoude ziel van de natuur
Overal huizen, dingen, mensen
Altijd anders, altijd nieuw
Vol leven en vol levenskracht.

postkaart verstuurd 1913

EENZAAMHEID A Michielsen

EENZAAMHEID
A Michielsen
Ach, laat me nu alleen, alleen met mijn gedachten.
Wijl in de stille woon mijn ogen nedergaan
Wil ik in ’t diepste van mijn brein voor mij zien staan
Nog eens haar wonder beeld dat mij eens tegenlachte ,

Haar ogen staren me aan met lustig liefde-lonken
Haar rozen maagden-mond nog prevelt ’t zoete woord
Dat eens mijn minnend hert vol liefde heeft gehoor d
Toen ze in haar vrouwenwon haar hert mij heeft geschonken

En nu ze voor me staat met al de dromen-weelde
Der vreugde-rozen op haar zoet gelaat gebloeid,
Voel ik me bang en droef, voel ik me diep vermoeid
In ’t eens zo blijde hert, dat vroege minne teelde.

Eens heb ik op mijn borst gevoeld het langzaam leven
Van ’t vrouwenhert dat zonder ’t mijn niet kon bestaaan
Maar nu, helaas ! is reeds in ijdlen droom vergaan
Het liefde en vreugde levenslicht mij eens gegeven

verstuurd 1913