Auteursarchief: jmaadewilde

EEN LIED Flora de Lannoy

EEN LIED
Flora de Lannoy
Aan den dichter van  Derflied

‘k Had van ons bei een lied gedicht,
Wiens vreemde woorden schenen
In d’eerste stroof als vreemde droom,
De tweede als een bee zo vroom…
— En ‘k heb gelachen in dat lied.
Opdat ik niet zou. wenen. – –

Uw woorden klonken in het lied
En in de wondre wijze :
— « De minne die het heerlikst mint,
Is die geen wederminne vindt » —
Zo spraakt gij ; en toen stierf de toon
Van ’t lied, zoo zoet,… zoo lijze…

postkaart rond 1914

Advertenties

ONWEER Juul Bovee.

ONWEER
Juul Bovee.

De bliksemslangen kruipen
de luchten uit,
de wolken druipen
van zwaar geluid.

De bomen wagen,
hun blaren dragen
het ruisend regennat.
De bomen wagen,
ze strooien uit,
met plets-geluid,
hun zwaren waterschat .

De velden dijzen,
doen ’t groen vergrijzen
in strepend regenvlaag.
De grauwe wolkenblokken
opkantlen uit de kim.

En schichtend bliksemglim,
de luchten vlug doortrokken.
verlicht de wolkenlaag
in dommelend gedonder
van wentelend lawaai.
Antwerpen

Postkaart verstuurd tussen 1913 en 1929

WINDEN… Pol Ans

WINDEN…
PoL Ans

Door donkergroengebronsde loof
Wuiven de winden,
Zuchten de winden ;
Hoor ze zwaaien op zwenkende en zoevende maat,-
Wuivende winden,
Zuchtende winden.

De dikke bomen kermen luid
Krommen de takken,
Knakken de takken.
Hoor ze krijsen en kreunen en reutelen droef,-
Krommende takken,
Knakkende takken.

Woelige winden,
Zo woest en zo wild.
Wrevlige winden
In zuchten zoo mild,
Zijt gij de stemmen
Zo smekend, zo hard,
Smekende stemmen
Geuit door het hart
En de ziel der wanhopige Jonkheid?

Buigende takken
Geschud met geweld,
Klievende takken
Der bomen geveld,
Zijt gij de lijken
Zo veel en zo bont,
Bloedige lijken,
Gekneusd en gewond,
Der illusies van jeugd en van liefde ?

Kaartje verstuurd 1914

JE BENT COOR UIT DEN BURGHT

JE BENT
COOR UIT DEN BURGHT
Je bent me weer verschenen in een vegen,
een ijlen droom van schuim en licht;
je zielenoogen groot in ’t bleek gezicht.
‘k Zag trilkramp rond je mond nerveus bewegen.

En op je wangen merkte ‘k traangeflonker
je witte handen, broos als leliekelken,
hingen slap, lijk in ’t najaar bij ’t verwelken.
Toen werd het voor mijn ogen druilig donker.

De wind van leed jaagt door mijn zielezangen,
ontvlamt het altijd smeulende verdriet.
Zo, schimmen rijzen, bij ’n vergeten lied,
Uit ’t oud klavier gedeind in teme-klanken.
***
‘k Zit onder ’t wuivend dak van koele boomen,
De zomp-bemoste grond is vloeiend goud.
Ach, dat zoo reine liefde, ontijdig oud,
Verbloeien moest, daar zit ik van te dromen !…
.
nieuwjaarskaartje verstuurd 1914

AVONDHEIDE  Heizanger

AVONDHEIDE
Heizanger

In valen gloor van avondkim,
Waar late zon verscheidde,
Daar rust, vol uitgebloeiden dag,
De sluimerende heide:
Herinnering aan zonnemin
Ligt. kwijnend op haar wezen,
Waar heimelik de gore doorn
Nauw zichtbaar komt gerezen.
Dan sterven sparren lijze been’
Naar donkerende kimme;
Nog waart als laatste leven, ver
Een late zwerverschimme .
Stil ligt de beide, slapens moe
Geen zang van verre bomen
Geen windenzucht, geen echo stoort
Haar eenzaam avonddromen

kaartje verstuurd 1914

_

Onder de Linde Rosa Corthauts van Puyenbroek

ONDER DE LINDE

Rosa  Corthauts van Puyenbroek

 

De schone lindeboom

Dekt voor een winterdroom

Met grootse pracht de paden.

Met ’t lindenbloesemkleed

’t Koraal doorweefd tapeet.

Van gele zijden bladen.

 

Wanneer het windje stoeit

En looverschoonheid snoeit,

Dan stroomt uit ’s hemels bronnen,

Uit ’t blauwe werelddak

Door bladerlozen tak

De stralengloor der zonnen.

 

En tooit met gouden glans

het vloerkleed als een krans,

In ’t schitteren der kleuren.

De zomer is voorbij.

Maar ’t heerlijk herfstgetij

Ontsluit zijn wonderdeuren

Laken ,

nieuwjaarskaartje 1913

ZON-VERLANGEN P-L Telders

ZON-VERLANGEN
P-L Telders

Wat klagen de ruisende bomen zo luid
hun verlangen naar koestrende zonneschijn uit ?..
Geen vogelken zingt in hun kruinen zijn lied. .
Grijs en grauw is het al tot in ’t verste verschiet.

Op het kiezelig zand van de donkere laan
valt de dropplende regen, als traan bij traan…
Iets weegt mij op ’t hoofd, en drukt op mijn hart,
het roept wakker de nauwelijks slapende smart…

Waar zijt’ gij nu, zonne, kom dicht met uw licht,
uw verkwikkende warmte tot bij mijn gezicht,
laat spelen en stoeien uw stralen rond mij,
en ‘k zal lichten en koestren en goed zijn, als gij!

nieuwjaarskaartje verstuurd 1913