Uitgelicht bericht

VAN ‘T PUIDEKE Herman Broeckaert

VAN ‘T PUIDEKE
Herman Broeckaert
1879-1930

Een puideke zat te loeren
in ’t diepste van de beek;
‘ten dierf geen lid verroeren;
hoe bang het beestje keek!
De reiger die blikte de dieperik in
en had er in ’t puideke zin:
ei puidje, kom uit, ei puidje, kom uit!
“Ge zoudt me geren pakken,
ei, kwakke,”
zei de puid.

Waarom zoude ik u pakken?
zo sprak de pakkeman;
ik pak maar stoute slakken,
die niemand geren kan;
en ‘k hoor ik zo geren uw stemmeke fijn,
ei laat er ons vriendekes zijn!,
En ’t puidje kwam uit, en ’t puidje kwam uit,
en… pakke, zei de reiger,
en… kwakke,

De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten


DE KOE

P. Hanou van Arum
1790-1843

Lieve koe! wat zijt gij goed.
Tweemaal alle dagen
Geeft gij, zonder vragen,
Melk en room in overvloed,
Warme melk fris en zoet,
Lekkere roompje vers en blank:
Goede koe! ik zeg u dank.


Nuttig beestje! loop toch niet
Op de steile dijken.
Wil het veld ontwijken,
Waar het onkruid wortel schiet,
Waar men wilde kervel ziet,
Lieve koetje! graas er niet.
Maar eet sleutelbloempjes veel,
Dan is ’t melkje zoet en êel.


Waar het veldviooltje bloeit,
Aan de brede zomen
Van de klare stromen,
Waar het stille beekje vloeit,
Waar de vette klaver groeit,
Lieve koetje! ga daar vrij,
Eet en drink en leef er blij!

1909 5c gr furia 473 4

The featured image should have a size of at least 1200 by 675 pixels.about:blank

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten

WELKOMSTGROET vervolg
Bij de vroegtijdige geboorte van mijn neefje

Fenna Mastenbroek
1788-1826

’t Blijspel is uw eerste rol,
Lieve kleine vlugge bol!
Die kunt gij gemaklijk spelen,
’t Zal uw oudren niet vervelen;
Maar, schoon elk het gaarne ziet,
Lieve jongen! ’t blijft zo niet.


Neen, gij krijgt ook wis uw deel,
Op des werelds treurtoneel;
Want daar geeft men zware stukken,
Die het hart ter neder drukken,
En wie hier het beste speelt,
Wordt het eerst er mee bedeeld.


Doch dit krenke nooit uw moed;
Rustig, ijvrig voortgespoed.
Zoudt gij hier niet willen leren,
En uw stand als mens vereren?
Is het doel, waarnaar gij streeft,
Dan niet waardig dat gij leeft?


Ja gewis, maar ’t vrolijk spel,
Jongen! dat bevalt zo wél;
Is ’t niet zo? nu, ’t zal gebeuren,
Vrolijk lachen volgt op treuren,
Wisling wordt aan elk, die speelt,
Wél en wijs hier toegedeeld.


Speel slechts niet uit ijdle waan,
Laat het doel steeds voor u staan;
Dit zal lust en vlijt verhogen,
Op het schoonste loon doen bogen,
En het vallen van ’t gordijn
Zal u hemelwellust zijn.

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

The featured image should have a size of at least 1200 by 675 pixels.about:blank




De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten

VERVOLG
WELKOMSTGROET
Bij de vroegtijdige geboorte van mijn neefje

Fenna Mastenbroek
1788-1826

Zeg eens, kleine vlugge bol!
Waartoe uwe levensrol
Zo voorbarig opgenomen;
Vreesdet gij te laat te komen?
Of geleek het poppespel,
Van dit leven, u zo wél?

Kindje, ach! dan weet gij ’t niet;
’t Spelen geeft ook soms verdriet,
’t Loopt ons hier zo dikwijls tegen –
Ja, nu kijkt gij al verlegen.
Maar wat doet gij hier toch, schat!
Voor men u geroepen had?


Hoor, ’t gordijn is opgehaald;
Of gij nu al angstig draai;
Elk staat reeds naar u te kijken;
Kom – nu met schroomvallig wijken:
Hoor, uw rol zij lang of kort,
Maak toch, dat ge een meester wordt.


Gaat dat niet met grote spoed,
Lieve jongen! houd maar moed;
Moeilijk is ’t een rol te leren,
Die u duurzaam kan vereren;
Maar het loon, dat u verbeidt,
Schenkt ook reine zaligheid. –


Is geen druisend handgeklap
’t Loon van deugd en wetenschap,
Fluit de nijd u hier om de oren,
Ach! daar moet ge u niet aan storen,
Dat uw lachen zulks verstommen,
Doe maar wél, en zie niet om.

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

1909 opdruk bloem


De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten

WELKOMSTGROET
Bij de vroegtijdige geboorte van mijn

Fenna Mastenbroek
1788-1826


Welkom, lieve kleine maat!
Schoon ’t zo vreemd als potsig staat,
Voor uw tijd en zonder schromen,
Op dit groot toneel te komen.
Ieder roept u, blij te moê,
Vrolijk, hartlijk welkom toe.


Maar gij werdt nog niet verwacht,
Neen, schoon moeder dankbaar lacht:
0! zij had zo vele zaken
Nog in orde willen maken;
En uw vader, slimme knaap!
Hadt gij haast verrast in slaap.

wordt vervolg

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

kaartje 1909

de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten

DEUGD DE BESTE ADEL

Francijntje de Boer
1784-1852


Niet altijd, kindren! heerst er heil,
Waar vlekloze onschuld woont,
Niet altijd wordt door God de deugd
Met voorspoed hier bekroond.


Die God, die wijzer is dan wij,
Zendt dikwerf leed en smart
Aan hem, die kronen waardig is
Om zijn menslievend hart.


Hoe dwaas doet dan de trotsaard niet,
Die slechts de rijkdom acht,
Die wrevlig jegens de armen is,
Of smaadlijk hen veracht

De deugd toch adelt slechts de mens,
’t Zij welvaart hem omgeeft,
Of dat hij, naar Gods wijs bestel,
In tegenspoeden leeft.


Komt, kindren! zoekt die adel dan,
Die loten wissling tart!
Hij woont in strohut en kasteel;
Zijn zetel is het hart.

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

BIJLAGEDETAILS

1908-lotus-522.jpg8 juni 202182 KB1095 bij 1687 pixelsAfbeelding b

de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten

DE VROLIJKE KNAAP AAN ZIJN ZUSJE

Francijntje de Boer
1784-1852

Ja, zusjelief! maak daarop staat,
Gij zijt mij dier en waard’,
En ‘k wens u met geheel mijn hart
Het beste lot op aard’.

‘k Maak somtijds wel wat veel rumoer,
Ik ben een rare kwant;
Maar meisjes plagen – och! gij weet,
Dat is zo jongenstrant.


Zo ik dan in ’t vervolg iets doe,
Dat u niet aan mocht staan,
Hoor, zusje! lach er dan eens om,
En – trek het u niet aan.


Vier vrolijk uw verjaringsdag
Met ons nog menig keer,
En zingen wij nu vergenoegd
Een liedje u ter eer.

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten

GOEDE RAAD

Francijntje de Boer
1784-1852

Mijn kindren! zo gij braaf wilt wezen,
Behoeft ge in ’t duister nooit te vrezen,
Gods liefde houdt voor u de wacht,
Daar zij, die hier ondeugend leven,
Bij ’t minst geritsel angstig beven,
En siddren voor de donkre nacht.
O, Teedre meisjes! lieve knapen!
Zo ge op uw bed gerust wilt slapen,
Het hart altoos in kalme staat,
O! Zoekt dan schuldeloos te spelen,
Wilt nooit in slechte zeden delen,
Maar houdt uw zieltjes rein van ’t kwaad.

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam
1908 doux souvenir

de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten


vervolg

A.B. van Meerten-Schilperoort
1778-1853
[LUILEKKERLAND]

Wie lui is, wordt er spoedig rijk;
Met niets te doen wordt geld gewonnen;
Er wordt geweven, noch gesponnen –
En niemand geeft van zielskracht blijk.
Ja, ieder moet met zorg zich waren,
Van zijn verstand er te openbaren;
Wie lust en trek tot werken had,
Die joeg men dr uit Land en stad;
Maar wie er niets dan dwaasheên doet,
Die gaat het boven allen goed;
Die wordt tot d’ Adelstand verheven
En kan er als een Prinsje leven.
‘Wie altijd gastereert en smult,
En nooit betaalt ene oude schuld,
En slapen kan de ganse dag,
Die krijgt er zeker ’t hoogst gezag;
Die draagt het volk daar op de hand,
Als Keizer van Luilekkerland

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

1908 5c asv serie 347 depose 7

de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
vervolg

A.B. van Meerten-Schilperoort
1778-1853
[LUILEKKERLAND]

De sneeuw is crème fouettée,
En ’t hagelt ’s winters pepenoten,
En in met melk gevulde sloten
Bestaat het ijs uit blanc-manger.
De dorenhagen dragen druiven; –
De wind doet daar het meel verstuiven,
Dat, dus op hopen saamgepakt,
De zongloed tot kadetjes bakt.
Gekookt, gebakken en gestoofd,
Zwemt daar de vis in meer en stromen,
En wordt er met de hand genomen;
Ja, duif en veldhoen en patrijs,
Gebraden elk op zijne wijs,
Die vliegen ieder in de mond,
Die gapend daartoe lust verkondt;
Een ever, naar de eis gebraden,
Loopt met een lemmer in zijn rug,

Hoezeer niet altijd even vlug,
Daar rond, en wie zich wil verzaden,
Die snijdt er uit, wat hem gelust,
En kan, is hij verzaad, gerust
Het mes weer steken in de lenden,
En zo het zwijn weer verder zenden.
wordt vervolg

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam
1907