HET HUISJE Victor de la Montagne

HET HUISJE
Victor de la Montagne

Ik weet er op een Hollands plein
een aardig huisje klein en rein,
van rode tichelsteentjes gebouwd,
en vast wel een paar eeuwen oud.

Puntgeveltje, met trapjes vier, vijf, zes,
met houten luifel en hoog bordes,
half verscholen in loverpracht
spiegelt bet zich in de stille gracht.

en als er een zonnestraal over zinkt,
al wat er aan is schittert en blinkt,
de ruitjes in de vensterboog
en ’t gouden weerhaantje heel omhoog.

Wat heeft er dat huisje klein en rein
al niet beleefd op bet eenzaam plein.
Wat zag bet, sinds het daar heeft gestaan,
geslachten komen, geslachten gaan…

Wat zag bet wisseling van wel en wee,
van nood en welvaart, krijg en vree, –
Wat borg het al niet in zijn schoot,
ontwakend leven, nakende dood…

Toch, gingen jaren en jaren voorbij…
Het bleef gespaard, één uit de rij,
het bleef gespaard en staat nog recht
voorname geveltje, sterk en hecht;

’t lijkt wel, zó oud, toch zo keurig en net,
een besje met helderwitte kornet,
wanneer haar rimpelig, verslenst gezicht
een frisse, jeugdige lach verlicht.

‘Onze Vlaamsche Dichters, 1830-1905 ‘- De Seyn- Verhougstraete, Aalst, 1905

Nieuwjaarskaartje verstuurd 1906 gr semeuze frans rex 4850

Advertenties

HET GESCHENK Rosalie Loveling

HET GESCHENK

Rosalie Loveling
1834-187
I
Hij trok bet schuifje open,
Het knaapje stond aan zijn zij,
En zag het uurwerk liggen:
Och, Grootvader, geef het mij ?

Ik zal ’t u wel eens geven,
Toekomend jaar misschien,
Als gij wel leert en braaf zijt,
Zei de oude, “wij zullen zien.

Toekomend jaar ! sprak bet knaapje,
O Grootvader, maar dan zoudt
Ge lang reeds kunnen dood zijn;
Ge zijt zo ziek en zo oud !

En de oude man stond te peinzen,
En hij dacht: Het is wel waar,
En zijn lange vingers streelden
Des knaapjes krullend haar.

Hij nam bet zilveren uurwerk,
En de zware keten er bij,
En lei ze in de gretige handjes,
’t Komt nog van uw vader,” sprak hij.

II

Daar was een grafje gedolven;
De scholieren stonden er rond,
En een oude man boog met moeite
Nog een knie naar de grond.

Het koele morgenwindje
Speelde om zijn haren zacht;
Het gele kistje zonk neder:
Arm knaapje, wie had dat gedacht.

Hij keerde terug naar zijn woning,
De oude vader, en weende zo zeer,
En lei het zilveren uurwerk
In ’t oude schuifje weer.

‘Gedichten ‘ – Algemene Boekhandel van Ad. Hoste, Uitgever, Gent, 1870

nieuwjaarskaartje 1906 fr gr semeuze 5 ct rex 348

KINDERSPEL Frans De Potter

KINDERSPEL

Frans De Potter
1834 1904

Niet langer, neen, duurt mijn geduld,
wat zijn dat voor manieren ?
Stout kind, waar ik mij wend of keer,
‘k heb reden om te tieren.

Dc keuken lijkt een prondelmarkt,
geen stoel is vrij van lappen,
alhier een borstel, daar een prent,
en knikkers op de trappen.

De gang is helemaal bezaaid
met groenten en met kersen,
en ach, er zwemmen, in een kuip,
ei, God, mijn beste verzen!

En ga ik in mijn boekencel
om licht en lust te zoeken,
mijn schriften liggen overhoop,
en op de grond mijn boeken.

Mijn inktglas is geld met zand,
mijn pen gans doorgespleten;
en wat uw pop doet in mijn kast,
dat mag de hemel weten

Zo’n kruis en duld ik langer niet,
gij weet van rust noch mate,
ik sluit u in uw kamer op
van ’s ochtends vroeg tot late.

O lieve, schrei niet ! Geen verwijt
laat vader zich ontschieten,
hij houdt van lach en kindervreugd
en wil u niet verdrieten.

Vervul het huis, zoals gij placht
met toomloos wild geschetter,
loop, draaf beneden en omhoog,
trap vrij zijn pen te pletter.

Hij geeft zijn letterarbeid graag
voor ’t minste van uw spelen,
en voor een zoentje, aanvallig kind,
moogt ge al zijn verzen stelen.

Gedichten A Siffer

nieuwjaarskaartje verstuurd 1906 fr 10 ct semeuze as 45

AAN MIJN BREIEND ZUSTERKE Guido Gezelle

AAN MIJN BREIEND ZUSTERKE

Guido Gezelle
1830-1899

Nokke ma’ voort,
nokke ma’ voort,
breie ma
breie ma
nokke ma voor
‘k zal u wel volgen gij
snelle Behendigheid,

zal u wel halen en
eer ge u een kouse afbreidt
hebbe ‘k een liedje op een
bitje papier geleid:
nokke ma’ voort,
nokke ma’ voort,
breie ma’
breie ma’
nokke ma’ voort.

nieuwjaarskaartje verstuurd 1906 fr 5c 1906 sazerac

HET GEBROKEN GLAS Hieronymus van Alphen

HET GEBROKEN GLAS

Hieronymus van Alphen

Ene vertelling.
Cornelis had een glas gebroken
voor aan de straat;
Schoon hij de stukken had verstoken,
Hij wist geen raad.
Hij had een afschrik van het liegen,
Wijl God het ziet;
En zou hij nu Mama bedriegen ?
Dat kon hij niet.

Hij stond onthutseld en bewogen;
De Moeder komt;
Zij ziet de tranen in zijn ogen;
Hij scheen verstomd.
“Heeft Keesje,” zei ze, “wat bedreven ?
Wat scheelt er aan ?”
“‘k Heb,” zei hij, “moederlief! zo even
weer kwaad gedaan.

Terwijl ik bezig met paletten
Bij ’t venster was,
Vloog mijn volant, door ’t fors raketten,
Daar in het glas.
Maar als uw Keesje ’t van zijn leven,
Niet weder doet,
Dan wilt gij ’t immers hem vergeven,
Gij zijt zo goed

“Kom, Keesje-lief, houd op met krijten”
Zei Moeder toen:
k Wil u die misslag niet verwijten.”
Hij kreeg een zoen.
“Die altoos wil de waarheid spreken,
‘Wordt wel beloond.
“Die leugens zoekt voor zijn gebreken,
“Wordt nooit verschoond.”

‘Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen ‘

Nieuwjaarskaartje verstuurd rond 1906 fr 5 ct emeuze pc 2012

DE KINDERLIEFDE Hieronymus van Alphen

DE KINDERLIEFDE

Hieronymus van Alphen

Mijn vader is mijn beste vriend;
Hij noemt mij steeds zijn lieve kind.
‘k Ontzie hem, zonder bang te vrezen.
En ga ik huppelend aan zijn zij,
Ook dan vermaakt en leert hij mu;
Er kan geen beter vader wezen.

Ik ben ook somtijds wel eens stout,
Maar als mijn ondeugd mij berouwt,
Dan wordt zijn vaderhart bewogen;
Dan spreekt zijn liefde geen verwijt,
Ja zelfs, wanneer hij mij kastijdt,
Dan zie ik tranen in zijn ogen.

Zou ik, door ongehoorzaamheid,
Dan maken dat mijn vader schreit;
Zou ik hem zuchten doen en klagen;
Neen, als mijn jonkheid iets misdoet,
Dan val ik aanstonds hem te voet.
En zal aan God vergeving vragen.

Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen – 1778

Morgengroet en kinderlijk geluk Hieronymus van Alphen

MORGENGROET

Hieronymus van Alphen

Op zijn blote voetjes
met zijn wit, wit hemdje aan,
komt het kindje ’s morgens
op het kampertrapje staan.
’t Kindje leerde minzaam groeten:
dag vader, dag moeder,
dag zuster, dag broeder,
dag allemaal.

1746-1803

HET KINDERLIJK GELUK

Ik ben een kind, Van God bemind, En tot geluk geschapen. Zijn liefde is groot; ‘k Heb speelgoed, klederen, Een wieg om in te slapen
melk en brood,
Ik leef gerust; Ik leer met lust; ik weet nog van geen zorgen. Van ’t spelen moe, Sluit ik mijn oogjes ’s avonds toe, En slaap tot aan de morgen.
Geloofd zij God Voor ’t ruim genot Van zoveel gunstbewijzen.
Mijn hart en mond, Zal hem, in elke morgenstond, En elke avond prijzen.

Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen ‘ – 1778

Nieuwjaarskaartje verstuurd rond 1906