MORGEN Eugeen Pittevils.

MORGEN

Eugeen Pittevils.
Een grijze-blauwe nevelwade sliert
Op stil en vredig-rustend landschap zaht
Het is of alles ingetogen wacht;
Wijl ’t Oosten roze en maluwverwe siert.

Een paarse wolkbank nu de kim beplast:
Waarin een vrome aandoening golve-trilt
Daarachter vlamme-rood de zonne wast
Die mist en boom in purper samensmilt
Aan buigend-groenen grasspriet beeft en drop
Die immer heller, heller vonkelblinkt
Terwijl de zonne hoog ten hemel zwinkt
Nu is er leven, leven overal,
Met zoete aromengeur zweeft blij geschal:
De leeuwrik stijgt naar blauwe transen,

kaartje verstuurd 1920

 

Advertenties

LIEFDE Lucien de Coster

LIEFDE
Lucien de Coster

Zij die komt door avondgaarden,
voeten warm in ’t blanke zand
’t aanzicht hel in schemer-klaarten,
’t kleed doorgeurd van roosaromen
’t glanzend oog vol zomerdromen
zeegnend met haar blanke hand.

Zij die komt door morgenlanden
’t golvend haar rond ’t blij gelaat,
fris haar adem, fris haar handen,
’t lied doorgolfd van zon en blijheid,
’t harte omhoog in trots en vrijheid,
morgendauw op ’t los gewaad.

Haar wil ik de lippen drenken
met mijn pure liefdewijnen,
haar wil ik den karmozijnen
mantel van mijn liefde schenken_
Haar wil ik mijn jong gedacht
oop’nen als een bronzen poort,
haar de onzegbaar-zoete pracht
fluistren van mijn liefdewoord.
12 – 2-17.

Kaartje verstuurd 1920

Mocht ge ooit in wind en koude staan (1)

Mocht ge ooit in wind en koude staan (1)
J Decroos. (NAAR BURNS)

Mocht ge ooit in wind en koude staan,
Zo stuur en ruw, zo stuur en ruw,
Mijn mantel zou ik om u slaan
En dekken u, en dekken ;
Of woei daar ooit des onheilswind,
Om u, O kind, om u, O kind,
Beschutting vond gij aan mijn hart,

Of zwierf ik in een woestenij,
Zo wild en naar, zo wild en naar,
Een zonnig Eden werd ze mij,
Waart gij maar daar, waart gij maar daar,
Of won ik ’s werelds heerschappij,
En u daarbij, en u daarbij,
Zo was mijn heerlijkst gewin
Mijn koningin, mijn koningin.

J Decroos.
(1) Getoonzet door Edw. Verreydt.

kaartje verstuurd1919

Hoort gij dat vreugdelied J Decroos

Hoort gij dat vreugdelied
J Decroos

Hoort gij dat vreugdelied
Klaatren door ’t groen,
Vieren het vederdiet
’t Lenteseizoen ?

Winter en koude zijn
Henengevlucht,
Goudene zonneschijn
Zingt in de lucht.

Wormig staan overal
Wouden en wei,
’t Zonnige looverdal
Geurt in den mei.

Schuifelt en schettert nu
Vogels om ’t meest, –
K weden en kwettert nu,
Merelt en meest.

Vink van uit de olmenlaan,
Helleme uw slag,
Leeuwerk, vroeg opgestaan,
Groete den dag.

Zing nu van d’eikentak
Lijster in ’t bos,
Huppel op ’t pannendak
Tijlpende mos.

Houtspecht en wielewaal
Schatert nu luid,
Lokke de nachtegaal
Orglend zijn bruid,

Dan voor het liefdenest
Pluimen vergaard,
’t Leven geniet men best
Leeft men gepaard.

Kaartje verstuurd 1919

Ach ware’t vrede J J VAN HAUWAERT.

m

Ach ware’t vrede
J.- j- VAN HAUWAERT.

ju ! mijn oude beeste, ju
Wat valt het ploegen lastig nu

Ik voel me zo stram, ik voel me zo oud,
en heb er geen lust noch vreugde tot werken !
Wat schijnt me toch alles bitter en koud,
en ‘k zie in mijn droom slechts kruisen en zerken

Ju, mijn oude beeste, ju!
Het -werken gaat zoo lastig du
Het vrolijk gezang en lustig g( fluit
en klinkt sedert lang meer over ons erve !
’t Kanonnengebrom, nu dof dan weer luid,
ach jaagt me vol angst voor hem dien ik derve

\Vat was ’t een genot mijn jongen te zien !
Hij werkte voor twee en lachte bij ’t zwoegen.
Geen knappere boer en was er misschien,
Hij vond in het werk zijn enig genoegen 1

ju, mijn oude beeste ju
O, ware ‘t, God toch vrede nu !

Ach ware die oorlog eindelijk uit,
en had ik hem weer mijn jongen, mijn jongen !
Maar ‘k zie hem daar naast ’t gebroken affuit,
ten dode gewond, zijn trekken verwrongen !
Is ’t werklijkheid, of is het een droom ?

Maar staag komt dat beeld mij grijnzend voor ‘d ogen
en ’t maakt me zoo oud, en ’t maakt me zoo loom
ik voel me door ’t leed geknakt en gebogen.

Ach., heerste de vrede weer in het land
en kwam met dien vrede weder mijn jongen,
met ’t liedje dat ver de smarte verbant,
en sedert den oorlog niet meer gezongen !

ju, mijn oude beeste, ju !
Ach! ware ’t vrede, vrede nu

zie ook https://www.youtube.com/watch?v=bhCPjAqw_A0

Lacrima Christi Cyriel Baeyens

Lacrima Christi

Cyriel Baeyens

ik bracht u den vrede uit den Hemel beneden,
maar steeds vinniger woedt hier de strijd.
De liefde onder broeders, den eerbied voor moeders,
én twisten én zelfzucht ten spijt :
dit is mijne leer van thans en weleer,
en de sleutel van ’t Hemelenrijk.
Ik dorst het te wensen dat liefde de mensen
aan Gods wezen zou maken gelijk…
De Haat is gebleven — de Liefde is aan ’t zweven,
naar den stervling op zoek en naar mij ;
de Liefde is gevloon, voor Laster en Hoon,
én uw heil én mijn wenschen erbij.
In ’t eeuwig verschiet thans mijn geest overziet
van de mensen de wegen ten ende ;
mijn hart is vermurwd, als mijn Liefde. het durft
te doorpeilen de onpeilbare ellende,
waarin is vervallen het schaap mijner stallen,…
en mijn ziele van weedom dan weent.
‘k Zou weer willen sterven en de eeuwigheid derven.
zo mijn dood het de liefde verleend

Ik bracht u den vrede uit den Hemel beneden,
en gij plengt van uw broeder het bloed,
in stee van hem ’t helpen den weedom te stelpen.
dien gij zelf met hem delen moet.
De bloedige lijken mij droevig bekijken
— Mij, de Heiland — die weldoende lichten
laat schijnen in ’t hart mijns gelijken in smart.
Als de gramschap uw blikken in schichten
verandert, uw zwaard den broeder niet spaart,
als u zelve vergetend, gij doodt
— niet wetend dat ’t loven u door God is gegeven.
wijl Zijn liefde en Zijn ziel Hij u bood —
mijn harte doorstriemen de vlammende vliemen
van den haat, die in de ogen u dansen ;
dan treft Mij uw degen, terwijl ik mijn zegen
– groene lauwers in eeuwige kransen —
den armen bedeel. Gij treft Mij ! en geheel
’t lijdenslijf mij weer zijpelt van bloed :
in bittere smart, heropent gij ’t hart
dat u toedroeg het opperste goed !

verstuurd 1919

Het Zwaard Willem Gijssels

HET ZWAARD

(Naar Sully Prudhomme.) Willem Gijssels
Wat zijt ge, blinkend staal, dat lenig steekt en snijdt?
Drijft ge uwe scherpe snee den schoot der aarde binnen
Of klieft ge rotsen, helpt ge beemd en bos ontginnen
Zeg welke kunst gij dient, wat gesel gij bestrijdt?
Een alem? Neen, u vloekt de man van eer en vlijt :
Geen zweet bedroppelt u, gij helpt geen brood gewinnen
Alleen het roesten kan de mens in u beminnen.
Zeg, blad met bliksem-blauw en purper, wat ge zijt?
Ik ben het zwaard, de knokelbazen ten gerieven.
En, in der vorsten vuist, de priem die, naar believen
Van hunnen gril, den mens boetseert en onderlegt_
En maaien moet ik telken jaar de bloem der rassen,
Totdat het vlees zich eens zal kleden in kurassen
Veel sterker dan het staal, gemaakt met ’t heilig recht!

nieuwjaarskaart verstuurd 1919