Uitgelicht bericht

VAN ‘T PUIDEKE Herman Broeckaert

VAN ‘T PUIDEKE
Herman Broeckaert
1879-1930

Een puideke zat te loeren
in ’t diepste van de beek;
‘ten dierf geen lid verroeren;
hoe bang het beestje keek!
De reiger die blikte de dieperik in
en had er in ’t puideke zin:
ei puidje, kom uit, ei puidje, kom uit!
“Ge zoudt me geren pakken,
ei, kwakke,”
zei de puid.

Waarom zoude ik u pakken?
zo sprak de pakkeman;
ik pak maar stoute slakken,
die niemand geren kan;
en ‘k hoor ik zo geren uw stemmeke fijn,
ei laat er ons vriendekes zijn!,
En ’t puidje kwam uit, en ’t puidje kwam uit,
en… pakke, zei de reiger,
en… kwakke,

PIETJE EN KEESJE P. Parson


PIETJE EN KEESJE
P. Parson
1803-1878


PIETJE
Aanstonds komt de bullebak,
En stopt Keesmaat in zijn zak!
KEESJE
Ha! ha! ha! ik lach er om,
‘k Ben niet meer zo klein en dom.
Schaam u wat, onnoozle Piet!
Bullebakken zijn er niet.

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

EEN AARDIG VENTJE Jacob van Lennep

EEN AARDIG VENTJE
Daar ging eens een ventje al over de straat,
En hij droeg op zijn borst een ruiker.
Hij had er een hoedje van chocolaad,
En zijn haar was gespoten suiker.
En zijn wangen die waren van appelmoes,
Zijn lippen morellen, zijn neus een soes.
Elke tand een pepermentje,
Zijn ogen sukaden, in ijs gevat.
0! wat een aardig ventje was dat,
0! wat een aardig ventje.


Wel kinderen! was ’t niet de pijne waard,
Dat ventje eens op te gaan zoeken?
Zijn hals was een abrikozentaart,
Zijn armen twee deventerkoeken.
En halletjes waren zijn handjes zo fraai,
En hij liep op twee benen van taai taai.
Voorzeker ik wed om een centje

Je mocht er om lopen door dorp of stad,
Nooit zag je zo’n aardig ventje als dat,
Nooit zag je zo’n aardig ventje.
Hij wandelde voort op zijn dooie gemak,
Al met bijzondere gratie:
Hij droeg een rokje van wafelgebak,
Met knopen van speculatie.
Zijn schoenen die waren van witte drop,
En er blonken zwarte knoopjes op,
En elke knoop was een krentje.
‘k Wou, ik zijn adres maar geweten had,
Want nooit zag ik een aardiger ventje dan dat,
Neen, nooit zag ik aardiger ventje.


uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

DE VADER AAN ZIJN ENIG ZOONTJE Jacob Van Lennep

DE VADER AAN ZIJN ENIG ZOONTJE

Jacob van Lennep
I802-I8S8
(Ode)
U wijd ik heden mijn gezang, vervolg

Wie leert dat kind, zo scheel te zien?
Blijf steeds ’t geluk u frisse bloemen strooien.
Pas op! hij zal zijn tol nog in de spiegel gooien.
Lief duifje van onze ark… Daar stoot hij aan de kom:
Nog éne duw, dan ligt zij om…
In ’t huwlijksnest gekweekt met onverpoosde zorgen…
Wat drenst en jankt hij deze morgen!
Bij wiens geboorte een heilgodes
Ons huis betrad, die mild u wou gedenken…
Foei! wat bemoezelt hij zijn hes…
En kwistig met haar gaven u beschenken…
Jans! Jans! hij heeft een mes!


Speel, dierbaar kind! met ongestoord genoegen:
De zoete vreugd mag aan uw leeftijd voegen:
Dat vrij uw lust voldoening zoek!
Ik zei het wel, dat al die koek,
Die Trui hem gaf, hem misselijk zou maken.
Dat de vreugd, die thans uw schuldloos hart doet blaken,
Bestendig, duurzaam, wezen kon!
Daar knipt hij, Janslief! met een schaar in uw japon,
Zoet rozenknopje! dat uw blaartjes gaat ontsluiten…
Ga naar Mama, en laatje neus reis snuiten!
Zo zacht zo geurig en zo fris!
Hij maakt mij ziek, zo vuil hij is.
Bekoorlijk als Auroor, in ’t Oosten doorgeblonken…
‘k Wou dat dat raam een tralie had!
Ontluikend brein verlicht met louter hemelvonken…
Breng toch die bengel weg, mijn schat!
Ik kan geen letter verder schrijven,
Indien hij langer hier moet blijven.

1913 1c gld4023c


uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

DE VADER AAN ZIJN ENIG ZOONTJE Jacob van Lennep


DE VADER AAN ZIJN ENIG ZOONTJE

Jacob van Lennep
I802-I8S8
(Ode)
U wijd ik heden mijn gezang,
Gelukkig kind! zo mild bestraald met zegen!…
Maar laat ik eerst van uw behuilde wang
Die traantjes vegen
Gij, op wiens pad, bij ’s levens lentegloor,
Slechts rozen zonder doren groeien…
Pas op wat, Jans! daar stopt hij erwten in zijn oor
U, wie genot en zoetheên tegenvloeien,
Wie nog geen zonde drukt, geen bange smart beknelt!
Wat heeft hij in zijn mond? Bewaar ons! ’t is een speld.
Bevallig wicht! gij liev’ling van ons allen,
Zo vlug en dartel als het vinkje in de lucht!
De gangdeur toe, hij mocht nog van de trappen vallen

Aanminnig voorwerp van eiks teerheid! – Wel geducht!
Let op toch Jans! hij zal zijn doek aan ’t vuur verzengen.
Gij, wie wij onze zorgen brengen,
Uit wiens bestaan ons dierbaarst heil ontspruit!
Gij hechtste schalm in onze huwlijksketen!…
De drommel haal’ de stoute guit!
Hij heeft mijn inktpot omgesmeten.
Gij Cherub! die, wanneer de maan
Deze aard verlicht met zilvren glansen,
Bestemd schijnt, om de blijde dansen
Der luchtige Elven voor te gaan…
Verbie dat kind, de poedel zo te slaan!
Lief bijtje, dat de honig weet te puren
Uit ieder bloempje, naar uw keus!
Wat ligt hij weer te plukken aan zijn neus!
U al mijn troost in droevige uren!
U! vaders hoop en glorie bovendien…
wordt vervolgd

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

IJLAGEDETAILS

DE LEEUW EN DE RAT L KRAMERS JZ


DE LEEUW EN DE RAT

J. Kramers, Jz.
1802-1869

Eens lag een Leeuw te slapen,
Toen zich een Rat verstoutte
Rondom hem heen te dartlen,
En op zijn rug te springen.
De Leeuw wordt eensklaps wakker,
En grijpt het stoute diertje,
En wil het nu die moedwil
Doen boeten met zijn leven.
Maar tijdig nog bedenkt hij,
Dat hem, als dierenkoning,
De wraak op zulk een schepsel
Tot weinig eer zou strekken:
Hij doet zijn klauw dus open,
En schenkt de Rat haar vrijheid
Maar ziet! na vijf zes dagen,
Toen onze Leeuw ter jacht was,
Voelt hij door ’s jagers netten
Op eenmaal zich gevangen.
Vergeefs is al zijn pogen,
Hoe groot zijn kracht mocht wezen,
Zich uit het net te ontwikklen,
En vreeslijk klinkt zijn brullen
Door bos en velden henen
Wie zal de Woudvorst redden?
Daar snelt de Rat ter hulpe,
Nog kortlings zijn gevangne;
En met haar kleine tandjes
Doorknabbelt zij de mazen
Van ’t net, dat hem omklemde,
En schenkt de Leeuw zijn vrijheid.

Men heeft zo vaak in ’t leven
De hulp der kleinsten nodig:
daarom wijs gehandeld,
Zich hen te vriend te maken
1912xxxx irisa 2817

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

HET ONGELUK T.RAVEN HZ


HET ONGELUK
T. Raven Hz.

Hein scheen een held te wezen,
En geen gevaar te vrezen,
In alles wat hij deed;
Geen van de hoogste bomen,
Geen van de breedste stromen,
Was hem te hoog of breed.


Eens dat hij, onder velen,
Weer braaf de held ging spelen,
Werd hij een bijl gewaar;
Fluks ging hij nu aan ’t kloven;
Niets ging zijn moed te boven;
Hij hoorde nergens naar.


In plaats van in de takken,
Nu dapper om te hakken,
Sloeg hij zich in de voet;
En al dat hakken, kloven,
Wie zou het niet geloven?
Maakt dat hij hinken moet.


Wilt ge u voor smart bevrijden,
Denk dan aan Heintjes lijden,
Gij hoort zijn ongeluk;
En kunt gij ’t niet geloven,
Vraag, als gij hout wilt kloven,
Aan Heintje op zijn kruk.

BIJLAGEDETAILS

1912-irisa-2669

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

BIJ HET ZIEN VAN EEN GORDIJN J.EL. Müller

GEDACHTE
BIJ HET ZIEN VAN EEN GORDIJN

J.EL. Müller
1800-1896


’t Gordijn der Eenzaamheid
Ligt menigmaal gespreid
Op onze slechte daden;
Hoe menig denkt daarbij:
Geen mens kan mij verraden!’
En waant van straf zich vrij.


Doch ’s Scheppers alziende oog
Schouwt uit de Hemelboog
Op al ons doen en laten;
Bij Hem kan geen gordijn
Of sluiering iets baten,
Niets Hem verborgen zijn.


Want Hij, die ’t hart doorziet,
Nog eer de daad geschiedt,
Die wij verrichten zullen;
Ja, zelfs de wensen hoort,
Die ons gemoed vervullen,
Al spreekt de mond geen woord,


Hij zal van elke feit,
Hetzij in eenzaamheid
Of openlijk bedreven,
Ons ’t blijk van gunstbetoon
Of ongenoegen geven,
Tot een rechtvaardig loon.


Dit spore ons krachtig aan,
Om stiptlijk acht te slaan
Op ons gedrag en wegen.
Gene eenzaamheid bestaat
Bij God. Zijn dierbre zegen
Volgt op een goede daad,
Zijn straf op alle kwaad.


uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam


DE GROOTSTE HELD JEL MULLER

DE GROOTSTE HELD

J.EL. Müller
1800-1896


Niet hij, die, welgespierd en fors,
Zijn lichaamskracht trotseert;
Noch hij, die, als hij strijden moet,
Zich dapperlijk verweert;
Maar – wie zijn feilen overwint,
Zijn driften palen stelt,
Zijn hart beheerst, zich zelv’ bezit –
Die is de grootste held.

1911bnk-5ct-vp.jpg18 september 202156 KB1019 bij 1567 pixels

Kindergedichten na 1918 en Oorlogsgedichten 1914 1918

HET SCHAAPJE JFL MULLER

HET SCHAAPJE
Schaapje! ik zie u nimmer aan,
Of ik word bewogen;
‘k Zie u naar de slachtbank gaan
Met een traan in de ogen.


‘k Weet wel, schaapje! voor dit lot
Kunt gij u niet hoeden;
Want uw vlees, zo wil het God,
Moet de mensen voeden;


Maar, omdat uw zacht gemoed
En onschuldig leven,
Mij een lesje kort en goed
Tot mijn welzijn geven.


Ja, die leren mij, dat ik,
Om geen dood te vrezen,
Tot mijn uiterst ogenblik
Schuldeloos moet wezen

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam

DWAZE VREES J.EL. Müller

DWAZE VREES
J.EL. Müller
1800-1896

Kan er groter lafheid wezen
Dan voor spokerij te vrezen,
Bang te zijn voor enig kwaad
Van een ding, dat niet bestaat?
En wat nadeel voor het leven
Moet die dwaze vrees niet geven!
Ieder mens, die angstig is,
Kan niet vrolijk zijn of fris.
Ziet de bloodaard maar eens even,
Raakt hij niet van angst aan ’t beven,
Als hij maar van spoken hoort
Of van geesten en zo voort?
Neen, bij zulke laffe mensen
Zou ik mij niet gaarne wensen;
Want wie bang is voor een spook,
Is het in gevaren ook.
Weest gij wijzer, lieve kindren!
Foei! laat u geen sprookje hindren;
Denkt, dat men geen knappe man
Door verbeelding worden kan.
‘Wilt gij vrezen, wilt gij schrikken?
Schrikt dan voor die ogenblikken,
Als uw hart u zeggen moet,
Dat het kwaad is, wat gij doet

uit de Nederlandse Kinderpoëzie uit 1000 en enige gedichten
verzameld door Gerrit Komrij’s 2007 Prometheus Amsterdam