BIJ DEN EERSTEN LENTEDAG G Rotsen de Therazan

y

BIJ DEN EERSTEN LENTEDAG
G Rotsen de Therazan

Hoe turen mat en moe de kleurenloze dagen
Door ’t knoestige geraamte van de dode bomen
Het groene lover viel. De laatste gouden dromen
Ze vloden voor d’onstuimigheid der wintervlagen

De nachten duren of het nimmer meer wou dagen:
En heeft de bleke zon haar tragen loop hernomen,
Snel zoekt ze rust en daalt op ver gelegen zomen
Van vale velden die weldra in mist vervagen.

Zou ook mijn hart, bij ’t dof geworden wintertreuren,
Het laatste licht van hope moeten zien verkleuren?
Och neen, de dageraad doorboort de luchten grauwe.

Daar is de gulden vloed die eens de velden kroonde :
En mijne ziel, waar macht en kracht en vreugde in woonde,
Droomt weer, bij d’eersten lentedag, van groot betrouwen

Nieuwjaarskaart verstuurd rond 1910

Advertenties

NU WIL IK… P.-L. TELDERS

NU WIL IK…
P.-L. TELDERS

Nu wil ik U, o Zon, een voorraad stelen
van koesterende warmte en streelend licht,
want, ’s Winters wordt zoo bleek uw aangezicht:
dan faalt u kracht, om ’s mensenleed te helen
.
ik voel me bang voor al die donkre dagen
zonder een luttel blijde zonneschijn :
dat wanklen tussen licht en donker-zijn,
dat koude huivring op het lijf komt jagen.

En toch, ik voel het wel, die tijd gaat komen
geen lachend zonneken. geen blauwe lucht,
geen vooglenzang, geen vlugge vooglenvlucht,
geen spel van licht meer door het groen der bomen

En daarom wil ‘k van zonlicht zoveel drinken,
tot ‘k voele ervan de warmen gloed in mij.
en zingen zal ’t een zachte melodij
mijn ziel mag niet in zonloos duister zinken !

Postkaart verstuurd 1910

DE KINDEREN VAN DE SOETEWEY Alice Nahon

DE KINDEREN VAN DE SOETEWEY
Alice Nahon

Aan Willem GIJSSELS
I
Ze trekken ter schole, een half uurken voor acht;
Het dorpje ligt ver van ’t gehucht.
Om ’t even of liefelijk ’t zonneken lacht
Voor wind noch voor regen beducht
Met blauw baeien rokskens.
De blinkende blokskens
Van ’s Zaterdaags vers gevernist.
Zo trekken ze zwijgend,
De hoofdekens nijgend,
Door regen, door sneeuw of door mist,
Dan. spreken die boeren gespeelkens geen woord.
De groteren trekken de kleineren voort.
Klikkerdeklakker zo kloeferen de rijen
Op blokskens voorbij langs de grauwe kasseien
II
Op grootmoeders’ neusdoek, met een kopspeld gehecht,
Met kleurige bloemen bestikt.
De strogele haren heel stevig gevlecht.
Met vuurrode lintjes gestrikt.
Bol-rode gezichtjes
En ogen als lichtjes
De handekens fris en gezond.
Hoe lief en hoe gekjes,
Die boerene bekjes
Met bruin koffierandekens rond.
Zo stappen ze fiere, als waren ze rijk,
Hun neusdoek sleept met z’n tippen in ’t slijk.
Klikkedeklakker zo kloeferen de rijen
Op blokskens voorbij langs de grauwe kasseien_
III
Des Zomers ’s namiddags, gaan de jongens voorop.
Ze. knabbelen een raap of een pee,
De meiskens die leren hun lessen luidop.
De kleintjes die zeggen ze mee.
Soms doen ze hun blokjes
En licht-grijzen sokjes
Aan ’t Brem kapelleken » uit.
Dan klinkt langs de wegen
Het joelen u tegen
En ’t plif-pleffend voetjes-geluid.
Maar zien z’in het deurgat hun moederke staan-
Gauw schieten ze sokjes en blokjes weer aan
Klikkerdeklakker zo kloeferen de rijen
Op blokskens voorbij langs de grauwe kasseien.

nieuwjaarskaart verstuurd 1909

DE MANE KOMT. PL Telders

DE MANE KOMT.
PL Telders

Naar ’t verre Westen drijft een donkre dolle vlucht.
van zwartgekopte wolken door de blauwe lucht. •
Soms loert er door een spleetje of scheurtje hier en daar.
een blijde blinkend sterrenoogje, pinkend klaar.

Nu speelt en spoelt er door het wolkgevaart een glans
van tastend licht, dat woelt en walst, als waar ’t een dans
van lichte elven in een donker groenig woud :
een wemelen van waaiend wit, bestrooid met goud.

Plots lachend, blinkt, door blauw en groen en okergeel.
de bolle volle maan in glanzig wit fluweel:
en zilveren draden zinderend door het luchtruim heen,
vallen op ’t rood der schuinse daken hier beneden !

nieuwjaarskaartje verstuurd rond 1909

O, STOERE WIJSHEID… Karel Leroux

O, STOERE WIJSHEID…
Karel Leroux

O, stoere wijsheid, die ‘k mijn weemoed heb geweven,
gij dekt mijn schaamte lijk een vastenavondzot
het lollig Masker en ge laat mijn grijnzen tot
ten klaren nachte trots en wrevel -mij begeven
en ik mij-zelven zie ten spiegel van mijn leven :
ziek van verlangen en van machteloze streven.

O kankerkwale die mi j liefde en zelfvertrouwen.
de schrale schoren van mijn twijfelende hoofd,
gelijk een kinderziekte beide hebt beroofd;
zal nog mijn glazig hoofd op blauwere. einders schouwen
en kan mijn zieke vil nou nieuwe wanen bouwen
of mag ik rustig, als in dood. de handen vouwen?

postkaart verstuurd rond1909

ZOMER AUGUST VAN DEN BOSSCHE

ZOMER
AUGUST VAN DEN BOSSCHE

Ging der lente tover over ;
Nu is ’t zomer in het land
Ik Voel reeds warme stralen dalen,
Bijtend in der banen zand.

Zie de velden groeien, bloeien
In het brandend zonnelicht,
Zie de vijvers lome dromen
Onder ’t zware luchtgewicht.

Hoor der zangers schone tonen
Galmen over bos en kant,
Hoor hun stemmen kwelen, strelen
Over ’t goudgeel rijpend land

In de groene, wijde weiden
Rustig graast het dartel vee,
Wijl hun stemmen loeien, stoeien
Met het oostenwindje mee.

Wilt u ’t lied des koren horen
Dwaal dan als een muzenkind
Door met oogst beladen paden,
Waarin ruist een zoele wind

Nieuwjaarskaart verstuurd 1909